Veroordeling tot taakstraf voor overtreding van de Arbeidsomstandigheden- en Arbeidstijdenwet

Rechtbank Overijssel 12 februari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:409

Verdachte heeft zich niet gehouden aan de in de Arbowet en het Arbobesluit opgenomen bepalingen omtrent de veiligheid van werknemers en heeft schuld aan het ernstige letsel dat de benadeelde is bekomen. Verdachte was als werkgever verplicht om passende en adequate maatregelen te nemen tegen de op de arbeidsplaats aanwezige gevaren. Verdachte heeft dit nagelaten en heeft de benadeelde laten werken met een gehaktmachine die niet was voorzien van een beveiligde vleesinvoer, terwijl hij wist dat de gehaktmachine ernstig gevaar voor de gezondheid opleverde aangezien de bewegende delen van die gehaktmachine met de vingers bereikbaar waren. 
 

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat verdachte:

  • feit 1: in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft gehandeld door zijn op dat moment 14-jarige werkneemster slachtoffer werkzaamheden te laten verrichten waardoor, naar verdachte wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van die slachtoffer ontstond of was te verwachten;
  • feit 2: aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest door zijn op dat moment 14-jarige werkneemster slachtoffer te laten werken met een mechanische gehaktmolen die niet was voorzien van een beveiligde vleesinvoer, waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen;
  • feit 3: in strijd met de Arbeidstijdenwet heeft gehandeld door zijn op dat moment 14-jarige werkneemster slachtoffer zonder nadrukkelijk toezicht vlees te laten verwerken met een niet deugdelijk beveiligde mechanische gehaktmolen, terwijl die slachtoffer bij het verrichten van dat werk ernstig lichamelijk letsel heeft opgelopen.
     

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat er volgens de verdediging geen levensgevaar te duchten was en verdachte de overtredingen niet opzettelijk heeft begaan. Verdachte was er namelijk niet mee bekend dat de gehaktmolen met een invoerbak uitgerust had moeten zijn, noch dat hij de risico’s beter schriftelijk had moeten vastleggen.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 2 vrijspraak bepleit, omdat niet kan worden bewezen dat er sprake is geweest van aanmerkelijke of grove onachtzaamheid, onvoorzichtigheid of nalatigheid. Volgens de verdediging had verdachte niet kunnen voorzien dat de gehakmolen uitgerust had moeten zijn met een invoerbak, noch dat de benadeelde, mede gelet op de duidelijke instructies, tijdens het draaien van gehakt met haar vingers in de gehaktmolen terecht zou komen.

Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
 

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft in 2006 het catering/poeliersbedrijf van zijn vader in adres overgenomen en deze onderneming drijft hij als een eenmanszaak. Verdachte werkt zelf in de onderneming en heeft een aantal uitzendkrachten in dienst. Naast de uitzendkrachten werkte sinds augustus 2016 de 14-jarige slachtoffer (hierna: de benadeelde) een aantal uren in de week in de onderneming van verdachte.

Op 7 januari 2017 heeft verdachte de benadeelde opdracht gegeven om kippendijfilets tot gehakt te malen met behulp van een gehaktmachine. Tijdens deze werkzaamheden is benadeelde met haar vingers in aanraking gekomen met de draaiende delen, te weten de worm(as), van de gehaktmachine. Als gevolg hiervan zijn haar pink-, ring-, middel- en wijsvinger gedeeltelijk geamputeerd.

Verdachte bevond zich ten tijde van het ongeval in een andere ruimte en had geen zicht op de benadeelde. De benadeelde had eerder met de gehaktmachine gewerkt en verdachte heeft de benadeelde bij eerdere gelegenheden gezegd dat ze het vlees in de vulopening moest laten vallen en niet met haar vingers in de vulpijp moest gaan.

Verdachte beschikte niet over een risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: RI&E) zoals bedoeld in artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet). De bij het ongeval betrokken gehaktmachine is door de vorige eigenaar van het bedrijf, te weten de vader van verdachte, ongeveer 25 á 30 jaar geleden gekocht. Op de gehaktmachine zat geen zogenoemde vleesinvoerbak, waardoor de bewegende delen, te weten de worm(as), bereikbaar waren vanuit de vulopening.
 

Feiten 1 en 2

Verdachte is onderworpen aan de veiligheidsregels zoals die onder meer voortvloeien uit de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). De rechtbank stelt vast dat op de plaats van het ongeval sprake was van een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder g, van de Arbowet, dat de mechanische gehaktmachine een arbeidsmiddel was in de zin van artikel 1, derde lid, aanhef en onder h, van de Arbowet en voorts dat er sprake was van een werkgever en een werknemer in de zin van artikel 1, tweede lid onder a en b, van de Arbowet, aangezien verdachte de benadeelde onder zijn gezag arbeid deed verrichten. De rechtbank stelt ten slotte vast dat de benadeelde op 7 januari 2017 gelet op haar leeftijd een kind was in de zin van de Arbeidstijdenwet en een jeugdige werknemer in de zin van het Arbobesluit.

Verdachte was als werkgever verplicht om met betrekking tot de werkzaamheden in zijn bedrijf een RI&E op te maken, waarin tevens, nu bij verdachte jeugdige werknemers werkzaam waren, aan een aantal zaken specifiek aandacht werd besteed. Verdachte heeft nagelaten een dergelijke RI&E op te stellen en heeft daarmee in strijd gehandeld met de Arbowet en het Arbobesluit.

Verdacht heeft voorts in strijd met artikel 1.37, artikel 7.3 eerste en vier lid en artikel 7.7 van het Arbobesluit gehandeld door, zonder adequaat toezicht te houden, de benadeelde te laten werken met een mechanische gehaktmachine die niet was voorzien van een beveiligde vleesinvoer, waardoor de bewegende delen van het apparaat met de hand bereikbaar waren en de gevaren van het werken met dit arbeidsmiddel niet zo veel mogelijk waren beperkt.

Het verweer van de verdediging dat verdachte deze overtredingen niet opzettelijk heeft begaan, omdat hij niet wist dat hij verplicht was om een RI&E op te stellen en dat de gehaktmachine uitgerust had moeten zijn met een vleesinvoerbak wordt door de rechtbank op grond van de volgende overwegingen verworpen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient de term ‘opzettelijk’ in het economisch strafrecht te worden uitgelegd als ‘kleurloos’ opzet. Dat betekent dat verdachtes opzet slechts gericht hoefde te zijn op de gedraging (te weten het laten werken van de benadeelde met de mechanische gehaktmolen) en niet op de wederrechtelijkheid van die gedraging. Niet vereist is dat het opzet van verdachte ook gericht is geweest op het niet naleven van de op de hem rustende wettelijke verplichtingen. De door verdachte gestelde ontbrekende kennis van de regelgeving staat aan het bewijs van het opzet niet in de weg. Van verdachte wordt verwacht dat hij op de hoogte is van de voor hem van toepassing zijnde regelgeving. Van een ondernemer mag bovendien een zekere deskundigheid worden verwacht van het terrein waarop hij zich begeeft.

Uit de verklaring van verdachte dat hij zijn werkneemsters duidelijk waarschuwde dat zij hun vingers niet in de vulopening van de gehakmachine moesten steken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wist dat het werken met de gehaktmachine op deze manier ernstige schade aan de gezondheid op kon leveren.

De rechtbank acht het onder 1 tenlastegelegde in de opzettelijke variant wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank is gelet op voorgaande overwegingen tevens van oordeel dat het ernstige letsel van de benadeelde aan de schuld van verdachte is te wijten. Verdachte was immers op de hoogte van de gevaren die waren verbonden aan het werken met de gehaktmachine, te weten de mogelijkheid dat werkneemsters met hun vingers in de bewegende delen van de machine konden komen, en had ter voorkoming hiervan afdoende maatregelen moeten en kunnen treffen.

Het verweer van de verdediging dat de vleesinvoerbak ten tijde van de aanschaf van de gehaktmachine al ontbrak en dat verdachte ook niet wist dat de machine met een dergelijke bak uitgerust had moeten zijn verwerpt de rechtbank. Gelet op zijn jarenlange ervaring in de vleesbranche behoorde verdachte naar het oordeel van de rechtbank te weten dat er een beveiligde vleesinvoer op de gehaktmachine moest zitten teneinde knel, plet- en snijgevaar te voorkomen, temeer nu verdachte, zoals reeds overwogen, bekend was met deze gevaren. Verdachte is derhalve in ernstige mate tekort geschoten in het zoveel mogelijk beperken van gevaar voor zijn werknemers en heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank grovelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig gehandeld.

De rechtbank acht het onder 2 tenlastegelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.
 

Feit 3

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 3 tenlastegelegde feit op grond van de bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.
 

Bewezenverklaring

  • feit 1: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • feit 2: aan zijn schuld te wijten dat een ander zwaar lichamelijk letsel bekomt;
  • feit 3: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3:2 van de Arbeidstijdenwet, opzettelijk begaan.
     

Strafoplegging

  • Taakstraf van 100 uur.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF