Veroordeling eigenaar incassobedrijf wegens verduistering: gelden van debiteuren werden niet doorbetaald

Rechtbank Midden-Nederland 8 november 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:6024

Verdachte heeft een eigen incassobedrijf gehad. Hij incasseerde gelden van debiteuren en het was vervolgens zijn verantwoordelijkheid om dit naar de opdrachtgevers door te storten. Blijkens de bewijsmiddelen heeft verdachte middels zijn incassobureau geldbedragen onder zich gekregen ten behoeve van de doorbetaling aan een ander. De geldbedragen bestonden doorgaans uit de hoofdsom van de vordering en eventuele bijkomende (incasso)kosten. De doorbetaling van de hoofdsom heeft echter niet plaatsgevonden terwijl onderdeel was van de incasso-opdracht om betaalde bedragen boven € 100,- binnen een week door te betalen. De ontvangen geldbedragen behoorden dan ook toe aan de aangevers – voor zover dit de hoofdsom van de vordering betrof. Uit deze handelswijze van verdachte blijkt dat hij zich de ontvangen geldbedragen voor zover het de hoofdsom betreft, opzettelijk en wederrechtelijk heeft toegeëigend. Verdachte heeft over dit geld als heer en meester beschikt. Verdachte heeft de gelden die hij heeft ontvangen van de debiteurs van de desbetreffende zes opdrachtgevers aangewend om andere rekeningen te betalen. Dat verdachte verklaart wel de intentie te hebben gehad om door te betalen, maakt dit niet anders. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering, met dien verstande dat wordt uitgekomen op een lager totaalbedrag dan ten laste gelegd.

De rechtbank acht het verzoek van de raadsman om aan het dossier de administratie van het incassobureau van verdachte toe te voegen niet noodzakelijk voor de beoordeling van het bewijs, de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen of enige andere te nemen beslissing. Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte de daar genoemde bedragen heeft ontvangen en niet heeft doorbetaald aan zijn opdrachtgevers. De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging tot toevoeging van deze administratie dan ook af.

Bewezenverklaring

  • feit 1: verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd;
  • feit 2: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging 

Gevangenisstraf van vier maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. 

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF