Veroordeling constructie- en machinebouwbedrijf wegens dood door schuld

Rechtbank Overijssel 12 februari 2018, ECLI:NL:RBOVE:2018:410

De rechtbank Overijssel veroordeelt een constructie- en machinebouwbedrijf uit Bergharen tot een geldboete van 30.000 euro. Verdachte heeft hijswerkzaamheden laten verrichten, bestaande uit het hijsen van een stalen balk die niet was gestropt, waardoor de last is gaan schuiven, terwijl slachtoffer niet was verplicht om buiten het hijsgebied te blijven. De balk is vervolgens uit de hijsbanden geschoven en heeft slachtoffer geraakt, als gevolg waarvan hij is komen te overlijden.

De verdenking komt erop neer dat verdachte: schuld heeft aan de dood van slachtoffer, omdat verdachte hijswerkzaamheden heeft laten verrichten, bestaande uit het hijsen van een stalen balk zonder dat die stalen balk in de hijsbanden was gestropt, zonder dat een procedure om een goede coördinatie van de twee kraanbedieners te waarborgen was toegepast, en zonder dat slachtoffer van die plek waar de werkzaamheden werden uitgevoerd werd weggehouden, waarna die stalen balk uit de hijsbanden is geschoven en slachtoffer heeft geraakt.
 

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, omdat het tenlastegelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De verdediging heeft daarvoor – kort samengevat – aangevoerd dat bij het hijsen van de balk geen fout is gemaakt en dat er bovendien geen causaal verband bestaat tussen die eventuele fout en de dood van slachtoffer.

Van schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is geen sprake, aangezien verdachte niet had kunnen voorzien dat de last uit de hijsbanden zou schuiven en dat iemand daardoor dodelijk gewond zou raken.


Het oordeel van de rechtbank 

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Op 17 mei 2016 heeft op het terrein van verdachte een ongeval plaatsgevonden. Ten tijde van het ongeval werden door twee werknemers van verdachte werkzaamheden verricht, bestaande uit het hijsen van een stalen balk op een vrachtwagen met oplegger, waarvan slachtoffer de chauffeur was (hierna: slachtoffer ). Het hijsen van een dergelijke last vond zeer regelmatig in het bedrijf plaats en voor deze klus bestond geen schriftelijk hijsplan. Besloten werd om de last in twee zogenoemde platte hijsbanden te hangen en die met twee bovenloopkranen op de oplegger te hijsen. Om te kunnen bepalen hoe ver slachtoffer zijn oplegger moest uitschuiven hebben getuigen 1 en getuigen 2 de langste stalen balk in de hoogste stand, naast de vrachtwagen met oplegger, gehesen. Toen de stalen balk van 22 meter lang en 1.800 kilogram in de hoogste stand hing is de balk aan één kant uit de hijsband geschoven en heeft, nadat deze op de overige te laden balken was gevallen, slachtoffer geraakt. slachtoffer is diezelfde avond aan zijn verwondingen overleden.

De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van het tenlastegelegde misdrijf ‘dood door schuld’ de volgende vragen onder ogen dienen te worden gezien:

a.    heeft verdachte een fout gemaakt?

b.    is er voldoende oorzakelijk verband tussen de gemaakte fout en de dood van slachtoffer ;

c.     is er sprake van schuld in de zin van artikel 307 Sr, dat wil zeggen: is er sprake van min of meer grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of nalatigheid (vgl. de uitspraak van het gerechtshof Arnhem van 21 september 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BN7748).

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW7948) overwogen dat onder schuld als delictsbestanddeel een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van artikel 307 Sr wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank overweegt dat in het onderhavige geval de tenlastegelegde gedragingen (onder meer) bestaan uit het hijsen van een stalen balk, die niet was gestropt, door middel van twee bovenloopkranen, elk door een andere kraanbediener bediend, terwijl niet een procedure was vastgesteld of toegepast om een goede coördinatie van de handelingen van de bedieners te waarborgen. Blijkens de verklaringen van getuige getuigen 1 en gemachtigde verdachte was deze manier van hijsen gebruikelijk binnen het bedrijf. In de kantine in het bedrijf hing wel een algemene hijsinstructie, maar voor hijsen met twee bovenloopkranen was geen afzonderlijke instructie vastgesteld of toegepast. Voor de keuze van hijsgereedschap of het stroppen van een last bestonden evenmin instructies.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van naam 1, gecertificeerd hogere veiligheidskundige en werkzaam bij het Expertisecentrum van de Inspectie SZW, volgt dat het hijsen van een last met twee bovenloopkranen hoog risicovol is, omdat elke minimale beweging van een hijskraan invloed heeft op de bewegingen van de last en daarmee ook op de belasting van de andere bovenloopkraan. Bij het hijsen van een last met twee bovenloopkranen met elk een eigen bedieningspaneel die op twee uit elkaar liggende plaatsen worden bediend, moeten de operators van de hijskranen de bewegingen bovendien precies met elkaar afstemmen. Zodra er ook maar enig tijdsverschil in het bedienen van de bovenloopkraan zit, zal de last scheef worden verplaatst en zal er een schuine belasting in die hijsgereedschappen gaan optreden waardoor verschuiving van de hijsbanden bij het hijsen in een mandje voorstelbaar is. Getuigen getuigen 1 en getuigen 2 hebben weliswaar verklaard dat zij ten tijde van het hijsen zowel in woord als gebaar met elkaar communiceerden, maar uit de verklaring van getuigen 1 dat hij niet heeft gezien dat getuigen 2 de bovenloopkraan nog iets naar voren bewoog, terwijl getuigen 1 reeds gestopt was met zijn bovenloopkraan te bewegen, leidt de rechtbank af dat van een optimale communicatie, waarbij de bewegingen precies met elkaar zijn afgestemd, geen sprake is geweest.

Uit het rapport van naam 1 blijkt tevens dat bij de huidige stand van de wetenschap en de professionele dienstverlening ten aanzien van het aanslaan van lasten ander hijsgereedschap had moeten worden gekozen dan de gebruikte hijsbanden die als een ‘mandje’ om de last zaten. Er had in elk geval hijsgereedschap met een klemmende werking moeten worden gebruikt, zodat het hijsgereedschap niet op of over de last kan schuiven. Gekozen had kunnen worden voor balkklemmen of een eindloze hijsband die rondgestropt moet worden. De feitelijk gebruikte hijsbanden hadden bovendien tenminste klemmend achter de ‘uitstulpingen’ van de stalen balk moeten worden aangebracht zodat het schuiven van de last was voorkomen.

naam 1 heeft geconcludeerd dat gezien de kenmerken van de last, de gebruikte hijsbanden, de wijze van aanslaan, het gebruik van twee bovenloopkranen en de omgevingsfactoren (te weten het over de rongen hijsen) het redelijkerwijs te verwachten was dat de last in de hijsband kon verschuiven en zo mogelijk er uit kon vallen.

De rechtbank is op basis van het rapport van naam 1 van oordeel dat verdachte een fout heeft gemaakt die heeft geleid tot de dood van slachtoffer. Verdachte heeft onder voornoemde omstandigheden en op bovengenoemde wijze hijswerkzaamheden laten verrichten, terwijl redelijkerwijs te verwachten was dat de last kon verschuiven en er uit kon vallen. Dit risico heeft zich verwezenlijkt, terwijl slachtoffer er niet toe is verplicht om weg te blijven uit het hijsgebied. Uit de verklaringen van getuigen 2 en getuigen 1 blijkt immers dat, hoewel zij wisten dat derden zich niet in het hijsgebied mochten bevinden, zij slachtoffer niet hebben gemaand om uit dat gebied weg te blijven. Dit terwijl getuigen 2 slachtoffer ten tijde van het ongeval heeft zien lopen in het hijsgebied en getuigen 1, die achteraan de oplegger stond en naar eigen zeggen zicht had op de bestuurderscabine van de vrachtwagen, slachtoffer niet heeft gezien, maar naar het oordeel van de rechtbank wel had moeten zien.

Gelet op deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt voorts dat aan de voorwaarden voor strafbaarheid van een rechtspersoon is voldaan, nu verdachte als geadresseerde van de norm is aan te merken en de gedragingen van de kraanbedieners aan verdachte zijn toe te rekenen. Deze gedragingen hebben in de sfeer van de rechtspersoon plaatsgevonden en het op deze manier hijsen van stalen balken was, blijkens de verklaringen van getuigen 1 en verdachte, gangbaar binnen het bedrijf en dienstig aan het bedrijf.
 

Bewezenverklaring

  • Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.


Strafoplegging

  • geldboete van 30.000 euro
     

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF