Artikel: De beperkte aansprakelijkheid van DNB en de AFM

In Nederland geldt sinds jaar en dag het uitgangspunt dat de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid niet wezenlijk anders wordt beoordeeld dan die van private partijen. Met dat uitgangspunt breekt de vijf jaar geleden, door middel van artikel 1:25d Wft, ingevoerde aansprakelijkheidsbeperking voor DNB en de AFM. Sindsdien is de aansprakelijkheid van deze toezichthouders beperkt tot gevallen van opzet en grove schuld. Deze aansprakelijkheidsbeperking heeft een buitengewoon ruim toepassingsbereik.

Ze bestrijkt al het handelen (en nalaten) van DNB en de AFM in de uitoefening van een op grond van welke wet dan ook opgedragen taak of verleende bevoegdheid. In deze bijdrage worden kritische kanttekeningen geplaatst bij de ratio en totstandkomingsgeschiedenis van deze aansprakelijkheidsbeperking om vervolgens nader in te gaan op reikwijdte ervan. Kern van het artikel vormt de bespreking van enkele recente ontwikkelingen in het financieel toezicht, op basis waarvan wordt betoogd dat de aansprakelijkheidsbeperking steeds minder bestaansrecht heeft, ook vanwege de vele (vaak onvoorziene) bijwerkingen. Die ontwikkelingen betreffen bijvoorbeeld nieuwe Europese en nationale regelgeving, de bestaande rechtspraktijk alsook de wijze waarop DNB en de AFM tegenwoordig invulling plegen te geven aan hun toezichtstaak.

Daarbij is van belang dat in veel gevallen waarbij schade ontstaat door gedragingen van DNB of de AFM, zoals bijvoorbeeld bij door haar verrichte publicaties, in het geheel geen sprake is van een knellend toezichthoudersdilemma, terwijl dat wel een belangrijke veronderstelling was bij de invoering van de aansprakelijkheidsbeperking. Dat pleit ervoor dat alsnog in kaart wordt gebracht voor welke situaties een dergelijke beperking nu eigenlijk precies noodzakelijk en dus gerechtvaardigd is.

Lees verder:

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF