Veroordeling commercieel-directeur wegens oplichting

Rechtbank Limburg 6 oktober 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:8974

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte een totaalbedrag van ruim € 145.000,- heeft gedeclareerd bij zijn toenmalige werkgever in verband met de beweerdelijke aanschaf van producten voor klanten van het bedrijf, terwijl deze producten nimmer zijn aangeschaft, waardoor de verdachte zich wederrechtelijk heeft bevoordeeld. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan oplichting.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde oplichting. De verdachte heeft per email geldbedragen gedeclareerd bij zijn werkgever slachtoffer, ter compensatie van bedragen (waarvoor hij producten zou hebben gekocht of zou gaan kopen voor klanten) die hij zou hebben voorgeschoten met zijn eigen geld. Achteraf is gebleken dat deze overeenkomsten met klanten niet bestonden en dat de producten niet zijn aangekocht door de verdachte. De verdachte heeft slachtoffer derhalve opgelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat er wel hardware is aangekocht door de verdachte en dat de declaraties oprecht waren. Tot een bedrag van ongeveer € 25.000,- kan de verdachte dit ook aantonen met bescheiden. De uitgaven voor de aanschaf van die apparatuur zijn niet terug te vinden op de rekeningoverzichten, omdat hij steeds de producten met contant geld (waarover hij beschikte door de verkoop van kristalglas op braderieën) betaalde. Slachtoffer was volgens de verdachte op de hoogte van zijn werkwijze. De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het primair en van het subsidiair tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank 

De rechtbank acht bewezen dat de verdachte een totaalbedrag van (€ 148.707,33 - € 56,- - € 2.813,96 =) € 145.837,37 heeft gedeclareerd bij zijn toenmalige werkgever slachtoffer in verband met de beweerdelijke aanschaf van producten voor klanten van slachtoffer, terwijl deze producten nimmer zijn aangeschaft, waardoor de verdachte zich wederrechtelijk heeft bevoordeeld. De omvang van het totaalbedrag aan declaraties is door de verdachte niet betwist. De verdachte heeft aangegeven de gedeclareerde bedragen tot een bedrag van ongeveer € 25.000,- te kunnen verantwoorden met bescheiden (facturen). Echter, hoewel daartoe ampel gelegenheid heeft bestaan, ten laatste nog ter terechtzitting van 22 september 2016, zijn de door de verdachte geclaimde uitgaven nimmer verantwoord, hetgeen de aanname dat ook dit bedrag ad € 25.000,- ten onrechte en wederrechtelijk is gedeclareerd ondersteunt. De verklaring van de verdachte dat dit bedrag terecht is gedeclareerd, maar deze uitgaven tot het totaal van dit bedrag logischerwijs niet terug te vinden is op zijn bankrekening aangezien hij de producten steeds contant heeft betaald met zijn winsten uit de verkoop van kristal op braderieën, acht de rechtbank onaannemelijk nu ook deze stelling niet is gestaafd door enig bewijs voor het bestaan van die winsten. De rechtbank gaat er vanuit dat (vrijwel) alle bij slachtoffer op declaratie van verdachte door slachtoffer uitgekeerde bedragen op wederrechtelijk wijze zijn verkregen en vervolgens ten eigen --bate zijn aangewend.

Bewezenverklaring 

  • Oplichting, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden. Daarnaast legt de rechtbank aan verdachte de verplichting op het wederrechtelijk verkregen voordeel terug te betalen, waarbij het – na verrekening van posten – (nog) gaat om een bedrag van ruim € 120.000,-.

De verdachte heeft bij slachtoffer veel vrijheid gekregen als commercieel-directeur om de onderneming tot een succes te maken. De verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat door (de medewerkers van) slachtoffer daarbij in hem werd gesteld. Hij heeft het gedurende langere tijd met succes doen voorkomen druk doende te zijn om veelbelovende nieuwe klanten aan te trekken voor slachtoffer. Slachtoffer is uiteindelijk failliet gegaan. Hoewel op basis van het dossier niet blijkt dat dit faillissement (geheel) op het conto van de verdachte kan worden geschreven, kan aangenomen worden dat het handelen van de verdachte daar een aandeel in heeft gehad.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat de verdachte eerder in 2009 door de politierechter is veroordeeld tot een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf ter zake oplichting en het opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift. De verdachte is in het verleden derhalve eerder voor een soortgelijk misdrijf veroordeeld. De rechtbank heeft dit ten nadele van de verdachte meegewogen. Ten nadele van de verdachte heeft de rechtbank ook meegewogen dat hij op geen enkele enkel moment zich voor zijn handelen heeft verantwoord.

Beide laatstgenoemde omstandigheden maken dat naar het oordeel van de rechtbank niet kan worden volstaan met een taakstraf. Gelet op de oriëntatiepunten, de bewezenverklaring en de overige omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, zoals daarvan blijkt uit het dossier, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden gerechtvaardigd en zal zij de verdachte daartoe veroordelen.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF