Veroordeling belastingadviseur wegens opzettelijk nalaten (onverwijld) melden ongebruikelijke transacties. Beroep op ontbreken opzet verworpen.

Rechtbank Den Haag 28 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11828

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de voormelde ongebruikelijke transacties (de contante stortingen ad in totaal € 491.740,- en de ‘terugbetalingen’ van een stichting ad in totaal € 150.837,-) (onverwijld) te melden. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan de haar ten laste gelegde opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Activiteiten verdachte

Verdachte drijft een onderneming die administraties verwerkt, jaarrapportages vervaardigt, loonadministraties verzorgt, en aangiften omzetbelasting, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting opstelt en indient voor cliënten. Vanaf 9 augustus 2011 is betrokkene 1 enig statutair bestuurder van verdachte. Zijn functie is die van leidinggevende. Verdachte heeft in de periode januari 2012 tot en met april 2013 maandelijks werkzaamheden verricht voor betrokkene 2, handelend onder de naam eenmanszaak.

Contante betalingen eenmanszaak

Over de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 april 2013 heeft de Belastingdienst onderzoek ingesteld naar eenmanszaak. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat de administratieve vastleggingen bij eenmanszaak tekort schoten, dat verkoopbonnen en facturen niet doorlopend waren genummerd en dat het kassaldo zoals opgenomen door verdachte, een administratief kassaldo is. Verder is gebleken dat in voormeld tijdvak een bedrag van € 491.740 aan contanten is gestort op de bankrekening van eenmanszaak. Een deel van dit bedrag, € 202.920, is door verdachte als uitgave in het kasboek opgenomen (Van Kas, aan Bank). De herkomst van het andere deel, € 288.820, is niet bekend. Indien alle stortingen naar de bank als uitgaven in het kasboek zouden worden geboekt, zou sprake zijn van een negatief kassaldo.

Betrokkene 1 heeft hierover namens verdachte verklaard dat betrokkene 2 tegen hem had gezegd dat hij in het verleden problemen had gehad met de FIOD en dat er een rechtszaak was geweest. Omdat hij niet wilde dat er beslag werd gelegd, zorgde hij ervoor dat zijn bankrekening in de min stond. Betrokkene 2 hield het contante geld van de verkopen daarom in principe in bezit totdat hij geld moest betalen, dan stortte hij het bij de bank en werd per bank betaald. Betrokkene 1 heeft verklaard dat hij met deze wetenschap geen vragen meer hoefde te stellen. Hij was ervan uitgegaan dat de stortingen uit de contante verkopen afkomstig waren. Betrokkene 1 had geen aansluiting gemaakt met het kasboek of kassaldo.

Ontvangsten stichting

Voorts is uit onderzoek door de Belastingdienst naar voren gekomen dat eenmanszaak in de periode van 14 februari 2012 tot en met 2 januari 2013 de volgende “uitgeleende” bedragen per bank heeft “terugontvangen” van de stichting.

Betrokkene 2 was sinds 2011 penningmeester van stichting. Hij heeft tegenover de Belastingdienst verklaard dat er met betrekking tot de lening(en) aan stichting geen overeenkomsten zijn opgesteld. Op 15 januari 2013 is stichting in staat van faillissement verklaard.

Betrokkene 1 heeft hierover namens verdachte verklaard dat betrokkene 2 hem had verteld dat hij penningmeester was bij stichting en dat de bewuste betalingen geld betrof dat hij uitgeleend had. “Voor de rest weet ik daar helemaal niets van” aldus betrokkene 1.

Ter terechtzitting heeft betrokkene 1 namens verdachte verklaard dat hij geen leningovereenkomsten heeft gezien en ervan uitging dat het een privélening betrof.

Geen melding

Verdachte heeft geen melding gedaan van ongebruikelijke transacties. Betrokkene 1 heeft namens verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij er toen niet van op de hoogte was dat er melding moest worden gedaan. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de meldplicht alleen gold voor een registeraccount en wellicht ook voor een accountant-administratieconsulent. Als hij wel op de hoogte was geweest, dan had hij wel gemeld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de contante stortingen van ruim € 490.000 en de betalingen van stichting van ruim € 150.000 ongebruikelijke transacties zijn, zoals bedoeld in de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, dat verdachte hiervan derhalve melding had moeten doen en dat zij dit opzettelijk heeft nagelaten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken. Daartoe is het volgende aangevoerd:

  • stichting heeft de terugbetalingen netjes per bank verricht. Bovendien werd zij door een registeraccountant gecontroleerd. Ten slotte heeft de curator van stichting de terugbetalingen blijkens het faillissementsverslag van 1 juli 2016 niet als paulianeus aangemerkt. Er was dus geen sprake van ongebruikelijke transacties in de zin van de Wwft;
     
  • de verplichting voor verdachte om ongebruikelijke transacties te melden bestond ten tijde van de ten laste gelegde periode nog maar net. Onder die omstandigheden dient bij de vraag of bij verdachte sprake was van ‘opzet’ niet uitgegaan te worden van ‘kleurloos opzet’, maar van de reguliere criteria die gelden ten aanzien van opzet. Daarvan uitgaande, dient verdachte daarvan te worden vrijgesproken, nu hij ten tijde van het tenlastegelegde volstrekt onbekend was met de meldplicht op grond van de Wwft.

De beoordeling rechtbank

Wettelijk kader

Op grond van artikel 16 van de Wwft dient een ‘instelling’ melding te doen van transacties met een ongebruikelijk karakter. Vanaf 1 augustus 2008 geldt dat op grond van artikel 1 van de Wwft onder instelling onder meer wordt verstaan: een externe registeraccountant of externe accountant-administratieconsulent of een belastingadviseur dan wel een (rechts)persoon die zelfstandig onafhankelijk beroeps- of bedrijfsmatig vergelijkbare activiteiten verricht.

Om te bepalen of transacties een ongebruikelijk karakter hebben, zijn op grond van artikel 15 Wwft bij algemene maatregel van bestuur indicatoren vastgesteld.12 Transacties die op grond van subjectieve indicatoren gemeld moeten worden, zijn die waarbij de meldingsplichtige aanleiding heeft te veronderstellen dat zij verband kunnen houden met witwassen of het financieren van terrorisme. Subjectieve indicatoren zijn opgenomen in verschillende richtlijnen van toezichthouders.

Verdere beoordeling

Verdachte instelling in de zin van de Wwft?

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is vast komen te staan dat verdachte ten tijde van het tenlastegelegde – voor zover hier relevant – activiteiten verrichtte die bedrijfsmatig vergelijkbaar zijn met die van een externe registeraccountant dan wel een externe accountant-administratieconsulent. Verdachte valt daarmee onder het begrip ‘instelling’ zoals bedoeld in artikel 1 van de Wwft. De verdediging heeft dit ook niet betwist.

Contante stortingen ongebruikelijke transacties?

Naar het oordeel van de rechtbank moeten de contante stortingen, in totaal € 491.740, die in de ten laste gelegde periode op de bankrekening van eenmanszaak zijn gestort worden aangemerkt als ongebruikelijke transacties, dit gelet op de volgende indicatoren.13

D2: Aard en uitvoering ongebruikelijk: er vindt geen kascontrole plaats

E1: De cliënt heeft voorkeur voor activa die geen sporen achterlaten, zoals contant geld

E3: Het betaalverkeer vertoont ongebruikelijk patroon. De gelden waarover de cliënt beschikt zijn afkomstig uit onduidelijke bronnen of de door de cliënt aangegeven bronnen zijn onwaarschijnlijk of onvoldoende gedocumenteerd.

J4: Het werkelijke beeld van de jaarrekening komt niet overeen met onderliggende stukken. Ongeautoriseerde transacties of onjuist geregistreerde transacties.

J7: Er is sprake van een negatieve kas.

Immers, gelet op de feiten en omstandigheden was sprake van een zeer omvangrijke kasstroom bij eenmanszaak, waarvan de herkomst niet gedocumenteerd en niet verifieerbaar was. Er was zelfs sprake van een negatieve kas. Naar het oordeel van de rechtbank nam de verklaring van betrokkene 2, waarmee verdachte klaarblijkelijk genoegen heeft genomen, het ongebruikelijke karakter van de bewuste transacties niet weg.

Hetzelfde geldt voor de door de raadsman van verdachte naar voren gebrachte omstandigheid dat nadien zou zijn gebleken dat bij één van de bewuste transacties (de contante verkoop van een horloge van € 175.000) door de koper melding zou zijn gemaakt van invoer van geld bij de autoriteiten.

Terugbetalingen lening ongebruikelijke transacties?

Naar het oordeel van de rechtbank moeten de ‘terugbetalingen’ van stichting als ongebruikelijke transacties woorden aangemerkt, dit gelet op de volgende indicatoren.

D2: Aard en uitvoering ongebruikelijk

E3: Het betaalverkeer vertoont ongebruikelijk patroon. De gelden waarover de cliënt beschikt zijn afkomstig uit onduidelijke bronnen of de door de cliënt aangegeven bronnen zijn onwaarschijnlijk of onvoldoende gedocumenteerd.

J4: Het werkelijke beeld van de jaarrekening komt niet overeen met onderliggende stukken. Ongeautoriseerde transacties of onjuist geregistreerde transacties.

J9: Er is sprake van betalingen zonder factuur

J10: Er is sprake van betalingen zonder schriftelijke overeenkomst

De betaling van aanzienlijke bedragen zonder gedocumenteerde titel en zonder enige vorm van gedocumenteerde betaalbaarstelling is ongebruikelijk. Dat betrokkene 2 te kennen zou hebben gegeven dat het een privélening betrof doet daar niets aan af, nu privé-(terug)betalingen op een ondernemersrekening juist ongebruikelijk zijn.

Aan het ongebruikelijke karakter van deze transacties doet verder niet af dat de boeken van stichting door een registeraccountant werden gecontroleerd, of dat de curator de terugbetalingen niet paulianeus zou hebben gevonden. In die omstandigheden kan immers nog steeds geen verklaring voor de herkomst van de bewuste transacties worden gevonden.

Opzet?

De voorschriften van de Wwft zijn ordeningsrecht. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin ‘kleurloos’ opzet in het ordeningsrecht voldoende wordt geacht, is niet vereist dat het opzet van de verdachte ook is gericht op het niet naleven van de op de verdachte rustende wettelijke verplichting ongebruikelijke transacties te melden aan het meldpunt. Met andere woorden: de door de verdachte gestelde ontbrekende kennis van de regelgeving staat aan het bewijs van het opzet op het niet melden van de ongebruikelijke transacties niet in de weg. Anders dan namens de verdachte is aangevoerd, wordt er van verdachte wel verwacht dat zij op de hoogte is van de voor haar van toepassing zijnde regelgeving. Van een onderneming mag bovendien een zekere deskundigheid worden verwacht van het terrein waarop zij zich begeeft. Bovendien kan een onderneming voor de inhoud van regelgeving aankloppen bij een beroepsorganisatie. Het verweer van de raadsman ten aanzien van de onbekendheid van de verdachte met de meldplicht van de Wwft wordt gelet op het hiervoor overwogene verworpen.

Conclusie

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de voormelde ongebruikelijke transacties (de contante stortingen ad in totaal € 491.740,- en de ‘terugbetalingen’ van stichting ad in totaal € 150.837,-) (onverwijld) te melden. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan de haar ten laste gelegde opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.

Bewezenverklaring

Opzettelijke overtreding van het voorschrift, gesteld bij artikel 16 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

Geldboete van € 20.000 waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. 

Het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde geldboete mag in 4 achtereenvolgende maandelijkse termijnen van € 2.500 mag worden voldaan.

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF