Veroordeling belastingadviseur voor belastingfraude. Strafbare feiten betreffen eigen aangiften & administratie, waardoor geen beroepsverbod wordt opgelegd.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9796

Verdachte heeft gedurende een langere periode leiding heeft gegeven aan de gedraging dat er onjuiste belastingaangiften zijn gedaan en een gebrekkige administratie is gevoerd, wat geleid heeft tot een aanzienlijke benadeling van de Staat. 

Dit klemt temeer nu verdachte werkzaam was als belastingadviseur en van hem verwacht mocht worden dat hij het belang van het voeren van een volledige en juiste administratie en het doen van tijdige en correcte belastingaangiften inziet en overeenkomstig handelt.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 en 3: Het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, aan welke gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd.
  • Feit 2 en 4: Het ingevolge de belastingwet verplicht zijnde een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen te voeren, een zodanige administratie opzettelijk niet voeren, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, aan welke gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
  • Feit 5: Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging 

  • Gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Verdachte heeft, naar de raadsman stelt, in eerste aanleg zijn eigen ruiten ingegooid, wat onder meer te wijten is aan een vorm van overspannenheid, een verkeerde proceshouding en het niet voeren van een uitgebreid strafmaatverweer. Volgens de raadsman is het hof onvoldoende voorgelicht over de persoonlijke omstandigheden van verdachte tussen 2007 en heden. De raadsman heeft gesteld dat nader onderzocht dient te worden hoe een destijds succesvolle ondernemer het zover heeft laten komen en in deze situatie verzeild is geraakt.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte de ambtshalve opgelegde aanslagen van € 800.000,-- heeft voldaan en dat hij bovendien € 50.000,-- voor zijn rechtsbijstand en € 100.000,-- aan afkoopregelingen voor ontslagen werknemers heeft betaald. Dit heeft, zo stelde de raadsman, geleid tot grote druk op de liquiditeiten, waardoor verdachte op een hellend vlak is geraakt. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat er na 2014 geen strafbare feiten zijn gepleegd, terwijl verdachte wel actief zijn beroep uitoefende. Volgens de raadsman heeft verdachte zijn zaken nu weer op orde.

Verdachte heeft verklaard dat hij sinds zijn aanhouding alles is kwijtgeraakt en in een carrousel terecht is gekomen, waarbij hij probeerde zijn kantoor overeind te houden, maar het geld er niet was om belasting te betalen. Volgens verdachte trof hij na zijn detentie een grote chaos aan op zijn kantoor en heeft hij medewerkers moeten ontslaan. Hij verklaarde voorts dat hij inmiddels € 800.000,-- heeft betaald aan ambtshalve opgelegde belastingaanslagen en dat hij al jaren -tot op heden tevergeefs- bezig is om de teveel betaalde belasting terug te krijgen. Verdachte heeft aangevoerd dat de Belastingdienst heeft gesteld dat er sprake is van een benadelingsbedrag van € 180.000,--, maar dat hij al het vijfvoudige heeft betaald. Verdachte heeft verzocht een werkstraf en een geldboete op te leggen, omdat hij een gevangenisstraf niet meer aan zou kunnen. Volgens verdachte leeft hij al twaalf jaar in gevangenschap en houdt hij deze leefomstandigheden niet langer vol.

Verdachte is -zo blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 september 2017- in 2009 door het hof 's-Hertogenbosch, in 2014 door dit hof en in 2017 door de rechtbank te Arnhem veroordeeld voor soortgelijke feiten. Verdachte heeft ter terechtzitting bovendien niet de indruk gewekt dat hij de ernst en het kwalijke van zijn handelen volledig inziet.

Het hof zal verdachte geen beroepsverbod opleggen. Uit de wetshistorie blijkt immers dat verdachte kan worden 'ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf heeft begaan'. Het hof is van oordeel dat -nu de ten laste gelegde feiten verdachtes eigen administraties betreffen- de feiten niet zijn gepleegd in de uitoefening van zijn beroep en dat oplegging van een beroepsverbod derhalve niet is toegelaten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF