Veroordeling belastingadviseur: toen belastingdienst bij zijn klanten vroeg om nadere stukken heeft verdachte deze zelf vervalst om onjuiste aangiften te verdoezelen

Rechtbank Oost-Brabant 7 maart 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:1104

De raadsman heeft, conform zijn pleitnota, vrijspraak bepleit van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde feit. De raadsman heeft ten verwere betoogd dat het onder 1 ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard, omdat er geen sprake is geweest van opzet aan de zijde van verdachte. Verdachte heeft op grond van de informatie die aan haar is medegedeeld door haar klanten de aangiftes ingevuld en naar de Belastingdienst gezonden. Verdachte ging er van uit en mocht er van uit gaan, dat de betreffende klanten juiste informatie aan haar hadden verstrekt. Hierbij heeft verdachte aan haar klanten aangegeven dat zij niet direct bewijsstukken hoefden te verstrekken, maar dat de Belastingdienst hier op een later moment alsnog om zou kunnen vragen. Bovendien is de belastingdienst na indiening van bezwaarschriften akkoord gegaan met aftrekposten voor zorgkosten in het verleden.

Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de bewijsmiddelen volgt onder meer dat verdachte de door haar verzorgde aangiftes voor particulieren voor wat betreft de opgevoerde post ‘aftrek specifieke zorgkosten’ gedurende meerdere jaren op basis van louter aannames heeft gedaan en ingediend, zonder enige vorm van daadwerkelijke controle in de zin van het inzien of opvragen van stukken ter onderbouwing van bedoelde kosten. Uit de bewijsmiddelen volgt tevens dat verdachte ook kosten in aftrek heeft genomen waarvan de betreffende belastingplichtige niets wist (vide de verklaring van persoon 1 ) en zelfs ter zake waarvan de belastingplichtige aan had gegeven dat dat niet nodig was (vide de verklaring van persoon 10 ). Door op een dergelijke wijze te werk te gaan heeft verdachte op zijn minst de aanmerkelijke kans op de koop toe genomen dat de in de aangiftes geclaimde aftrekposten niet juist zouden zijn. Dat verdachte, zeker gezien haar professie als belastingadviseur, anders had moeten handelen was haar ook duidelijk, gezien haar verklaring ter zitting dat zij bij zakelijke klanten wél altijd onderbouwing verlangde. Van een generieke toestemming van de belastingdienst om de opgevoerde kosten in aftrek te nemen in de aangiftes van de in de tenlastelegging genoemde personen is niet gebleken.
 

Aansprakelijkheid van de rechtspersoon

Voor de beoordeling van de vraag of bovengenoemde strafbare feiten zijn begaan door de rechtspersoon bedrijf 1, neemt de rechtbank de door de Hoge Raad benoemde criteria als uitgangspunt. Uit de criteria volgt dat voor de beantwoording van de vraag of een strafbare gedraging is begaan door een rechtspersoon, beslissend is of de gedraging redelijkerwijs toegerekend kan worden aan de rechtspersoon. Dat is, aldus de Hoge Raad, in het bijzonder het geval als deze binnen de sfeer van de rechtspersoon hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

Artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht richt zich tot een ieder, dus ook tot rechtspersonen. Dit brengt mee dat de rechtspersoon bedrijf 1 aan te merken is als geadresseerde van de overtreden norm. Bedrijf 1 is een administratiekantoor dat zich bezighoudt met het voeren van administraties voor het midden- en kleinbedrijf, het verzorgen van belastingaangiftes en het verlenen van adviezen met betrekking tot het vorenstaande. Aldus passen de verboden gedragingen binnen de normale bedrijfsvoering en taakuitoefening van de rechtspersoon. De gedragingen zijn feitelijk verricht door verdachte. Zij was niet alleen bestuurder/directeur van de vennootschap, maar zij was ook werkzaam als belastingadviseur/boekhouder voor de rechtspersoon. Derhalve is sprake van een handelen van iemand die werkzaam is binnen de rechtspersoon.

Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de verboden gedragingen hebben plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon, waardoor de verboden gedragingen redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde feiten zijn begaan door de rechtspersoon bedrijf 1.
 

Aansprakelijkheid van verdachte als feitelijk leidinggever

Verdachte was directeur/enig aandeelhouder van bedrijf 1 en tevens werkzaam als belastingadviseur/boekhouder voor de B.V.; feitelijk verrichte enkel verdachte de betreffende werkzaamheden en was sprake van een ‘eenmans-vennootschap’.

Onder die omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen die zijn begaan door bedrijf 1, als bedoeld in artikel 51, tweede lid onder 2 van het Wetboek van Strafrecht.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1 primair: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd
  • Feit 2 primair: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd
  • Feit 3 primair: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd
     

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Inmiddels zijn door de Belastingdienst de nodige naheffingen opgelegd aan deze klanten. Verdachte heeft mitsdien uiteindelijk ook haar klanten gedupeerd. Wat verdachte in het bijzonder valt te verwijten is dat zij, op het moment waarop door de belastingdienst nadere stukken werden opgevraagd bij verdachtes klanten, er toe is overgegaan om zelf actief stukken te vervalsen teneinde de onjuistheid van de eerder door haar gedane aangiften te bemantelen. Dit heeft mede tot gevolg gehad dat op de desbetreffende klanten de verdenking is komen te rusten van betrokkenheid bij dit vervalsen.

De rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat zij blijkens het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie als first offender dient te worden beschouwd. Hoewel niet expliciet duidelijk is geworden wat verdachte ertoe gedreven heeft de strafbare feiten te plegen, blijkt uit het verhandelde ter terechtzitting wel dat verdachte niet uit eigen winstbejag heeft gehandeld. Verdachte heeft zelf ook geen direct financieel voordeel genoten van de strafbare gedragingen. Voorts heeft verdachte er blijk van gegeven dat zij de ernst van de feiten inziet.
 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF