Veroordeelde (een rechtspersoon) heeft door middel van een valselijk gepretendeerd retentierecht getracht de gemeente Maastricht tot afgifte van een schip te bewegen

Rechtbank Limburg 10 september 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:5358

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 samen met (een) ander(en) valsheid in geschrifte heeft gepleegd, door brieven te vervalsen of valselijk op te maken.

Feit 2: in voornoemde periode samen met (een) ander(en) de gemeente Maastricht heeft opgelicht dan wel heeft geprobeerd om de gemeente Maastricht op te lichten.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de door hem in het requisitoir weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte wel degelijk een retentierecht had op het schip “naam schip”, zodat van valsheid in geschrifte en/of (poging tot) oplichting geen sprake is. In het dossier bevindt zich weliswaar één verklaring waaruit zou kunnen blijken dat van een retentierecht geen sprake was, doch die enkele verklaring is onvoldoende om tot een bewezen verklaring te kunnen komen van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

Vanaf oktober 2000 ligt bij scheepswerf te Maastricht het woonschip “naam schip”. Het schip is in gebruik als woonverblijf voor de buitenlandse werknemers die op de werf werkzaam zijn. Tevens zijn er de kantoren van de werf gevestigd.

De gemeente Maastricht is het niet eens met het ligplaats nemen van dit schip op deze locatie. Tevens worden er vele overtredingen geconstateerd tegen meerdere regelingen, zoals met betrekking tot de brandveiligheid aan boord, milieuvoorschriften etc. Op 13 augustus 2002 en 8 januari 2004 worden er door de gemeente Maastricht dwangsommen opgelegd aan de eigenaresse van het schip, naam 2 Deze dwangsommen worden niet betaald en het schip blijft bij de scheepswerf liggen. Daarom besluit de gemeente Maastricht in september 2005 om het schip te laten veilen. Daarvoor schakelt de gemeente Maastricht notariskantoor Krans Helmig Stuijt in.

Bij brief van 9 juni 2006 meldt verdachte zich bij het notariskantoor. Zij stelt ter zake achterstallige huurgelden (liggeld) een bedrag van € 798.786,00 tegoed te hebben van de eigenaresse van het schip. Ter zake deze vordering wordt retentierecht uitgeoefend op de “naam schip”. Bij brief van 3 juli 2006 wordt de claim van het retentierecht nog eens herhaald en wordt een specificatie van de vordering verstrekt. In een andere brief van 3 juli 2006 licht verdachte een en ander nog nader toe.

De gemeente Maastricht speelt de informatie met betrekking tot de huurgelden door naar de Belastingdienst. Voor de Belastingdienst is deze informatie aanleiding navorderingsaanslagen BTW en Vennootschapsbelasting op te leggen (deze inkomsten/vorderingen waren bij de Belastingdienst onbekend). Voor verdachte is dat aanleiding hiertegen bezwaarschriften in te dienen.

Op 26 januari 2007 maakt mr. Sligchers namens verdachte bezwaar tegen de naheffing BTW en op 7 februari 2007 maakt drs. Van Dijk RA namens verdachte bezwaar tegen de naheffing vennootschapsbelasting.

Op 21 september 2007 vindt er een gesprek plaats tussen medewerker belastingdienst, namens de Belastingdienst, en mr. Sligchers, namens verdachte, over het bezwaarschrift tegen de naheffing BTW. Hiervan is door medewerker belastingdienst een gespreksverslag gemaakt dat door mr. Sligchers voor akkoord is ondertekend. In dit verslag staat onder andere:

“Er is geen sprake geweest van een of meerdere facturen voor huurgelden betreffende de “naam schip”. Ook een huurovereenkomst was niet voorhanden/opgemaakt. De genoemde brief aan Notarissen en Advocaten Krans Helmig Stuijt was blufpoker om een aanstaande veiling te voorkomen (…) Ook van een retentierecht was geen sprake (…) De “naam schip” was bedoeld voor het huisvesten van mensen die op de werf werkzaam waren (…) De “naam schip” had geen vaste ligplaats. Deze werkwijze (gratis ligplaats) was al eens eerder met twee boten toegepast. Zoals nu wordt aangegeven werden geen huurgelden bedongen, in rekening gebracht of wat dan ook.”

Op 23 april 2009 is drs. Van Dijk RA door verbalisanten gehoord met betrekking tot het door hem opgestelde bezwaarschrift tegen de naheffing Vennootschapsbelasting. In het hiervan opgemaakte proces-verbaal staat onder andere, zakelijk weergegeven, dat drs. Van Dijk RA met betrekking tot het liggeld nooit huurcontracten heeft gezien en ook nooit openstaande vorderingen heeft verwerkt in jaarstukken.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot navolgend oordeel.

Verdachte stelt een retentierecht te hebben op de “naam schip” terzake achterstallige liggelden. Verdachte kan een retentierecht op het schip doen gelden als zij een opeisbare vordering heeft betreffende het schip, bijvoorbeeld terzake liggelden. De vraag is echter of daarvan sprake was.

Op grond van al hetgeen in deze zaak is gebleken is de rechtbank er van overtuigd dat de eigenaresse van de “naam schip” geen liggeld verschuldigd was aan verdachte. De rechtbank grond die overtuiging op het volgende:

  • er is geen huurovereenkomst, of een ander schriftelijk stuk, opgemaakt waaruit in ieder geval de essentialia van de huurovereenkomst, zoals de huurprijs per periode, blijken;
  • er is kennelijk gedurende meerdere jaren nooit feitelijk liggeld betaald en dit was geen reden voor verdachte om maatregelen tegen de eigenaresse van de “naam schip” te treffen;
  • er zijn nooit huurfacturen opgemaakt;
  • verdachte exploiteert de scheepswerf naam 1 aan de adres 2 te Maastricht. De “naam schip” werd gebruikt voor het huisvesten van de buitenlandse werknemers en de kantoren van de werf. Nu het gebruik van het schip aan verdachte zelf ten goede kwam ligt een huurvergoeding, te betalen aan verdachte, niet voor de hand;
  • uit het gespreksverslag van medewerker belastingdienst blijkt dat de advocaat van verdachte aangeeft dat er geen huurgelden waren bedongen.

Een andere grondslag voor een retentierecht wordt nog wel door drs. Van Dijk RA genoemd in zijn verhoor, namelijk enkele grote reparaties aan het schip. Hiervan blijkt echter verder niets en verdachte heeft deze werkzaamheden ook niet tot de grondslag voor haar retentierecht gemaakt.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat er van een retentierecht geen sprake was. De brieven waarin het bestaan van dat recht wordt gesteld zijn dus valselijk opgemaakt. Nu deze gedragingen – het opstellen van de brieven – hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon – de brieven zijn opgesteld door een persoon binnen de rechtspersoon en de brieven kwamen de rechtspersoon ten goede – kunnen deze gedragingen in redelijkheid ook aan de rechtspersoon worden toegerekend.

Het onder feit 1 aan verdachte tenlastegelegde kan daarom wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Feit 2

Feit is dat de gemeente Maastricht, nadat zij kennis had genomen van het gepretendeerde retentierecht, de veiling van de “naam schip” heeft afgeblazen. Maar uit het dossier blijkt niet dat de gemeente Maastricht haar aanspraken op het schip toen ook heeft prijsgegeven ten gunste van anderen.

Uiteindelijk is het schip op 3 februari 2007 vertrokken. Voordat het schip vertrok is de gemeente Maastricht van het voorgenomen vertrek per fax op de hoogte gesteld. Toch heeft de gemeente Maastricht het vertrek niet verhinderd. medewerker gemeente, werkzaam bij de gemeente Maastricht en onder andere belast met de problematiek rondom de “naam schip” heeft hierover onder andere verklaard: “De gemeente heeft deze verscheping niet tegengehouden ondanks haar vorderingen, gezien praktische overwegingen, namelijk kostenaspecten vele onderzoeken, de herhaaldelijke handhavingsacties (ontruimingen brandonveilige situatie, illegaal ligplaats nemen, illegale bewoning).”

Uit deze verklaring van medewerker gemeente blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de gemeente Maastricht uiteindelijk niet door het gepretendeerde retentierecht bewogen is om het schip af te geven maar dat men er voor gekozen heeft het schip te laten vertrekken. Zo kwam er immers een einde aan een situatie – het ligplaats nemen en de bewoning – waaraan de gemeente al jaren tevergeefs had geprobeerd een einde te maken. Feit 2 primair kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte door middel van het valselijk gepretendeerde retentierecht heeft getracht de gemeente Maastricht tot afgifte van het schip te bewegen. De subsidiair ten laste gelegde poging tot oplichting kan wel worden bewezen.

Bewezenverklaring

Feit 1: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Feit 2 subsidiair: medeplegen van poging tot oplichting.

Strafoplegging

De verdachte heeft zich samen met zijn mededader(s) schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en poging tot oplichting door in strijd met de waarheid – middels valselijk opgemaakte brieven – een retentierecht te pretenderen op het vaartuig “naam schip”. Hierdoor is de gemeente Maastricht “op het verkeerde been” gezet en heeft zij besloten niet tot veiling van het schip over te gaan.

In het dagelijkse verkeer tussen partijen met verschillende belangen komen vaker meningsverschillen voor die tot verschillende opvattingen kunnen leiden. Hierbij wordt echter van iedereen verwacht dat op een “faire” manier wordt opgetreden. Wordt bewust onjuiste informatie in het spel gebracht, dan verstoord dat op onrechtmatige wijze de interactie tussen betrokkenen. Dat brengt het normale “handelsverkeer” ernstige schade toe. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan.

De rechtbank acht, alles afwegende, de door de officier van justitie gevorderde straf een passende straf. Zij zal derhalve aan verdachte opleggen een geldboete van € 20.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF