Onvoldoende bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij valsheid in geschrift en (poging tot) oplichting van gemeente Maastricht

Rechtbank Limburg 10 september 2013, ECLI:NL:RBLIM:2013:5359

Verdenking

De verdenking komt er op neer dat de verdachte:

Feit 1: in de periode van 9 juni 2006 tot en met 3 juli 2006 samen met (een) ander(en) valsheid in geschrifte heeft gepleegd, door brieven te vervalsen of valselijk op te maken, dan wel hier opdracht toe te geven of feitelijk leiding aan te geven.

Feit 2: in voornoemde periode samen met (een) ander(en) de gemeente Maastricht heeft opgelicht dan wel heeft geprobeerd om de gemeente Maastricht op te lichten, dan wel hier opdracht toe te geven of feitelijk leiding aan te geven.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de door hem in het requisitoir weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 primair tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat medeverdachte 1 wel degelijk een retentierecht had op het schip “naam schip”, zodat van valsheid in geschrifte en/of (poging tot) oplichting geen sprake is. In het dossier bevindt zich weliswaar één verklaring waaruit zou kunnen blijken dat van een retentierecht geen sprake was, doch die enkele verklaring is onvoldoende om tot een bewezen verklaring te kunnen komen van de aan verdachte tenlastegelegde feiten.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

Uit het dossier kan worden opgemaakt dat van oktober 2000 tot februari 2007 bij scheepswerf naam 1 te Maastricht een schip heeft gelegen, genaamd de naam schip. Dit schip was eigendom van naam 2 en werd door de eigenaar van de scheepswerf (medeverdachte 1) gebruikt als huisvestiging voor Poolse en Roemeense medewerkers van de werf. In 2002 en 2004 heeft de gemeente Maastricht aan naam 2 een aantal dwangsommen opgelegd wegens (o.a.) overtreding van bepaalde regels van het bestemmingsplan. In september 2005 wilde de gemeende het schip laten veilen ter inning van de verbeurde dwangsommen. Medeverdachte 1 heeft deze veiling weten tegen te houden door te stellen dat zij een retentierecht op het schip had. medeverdachte 1 heeft dit aan de gemeente kenbaar gemaakt in een brief van 9 juni 2006 en kort daarop in nog twee andere brieven van 3 juli 2006.

Bij vonnis van heden in de zaak van de medeverdachte 1 heeft de rechtbank beslist dat er van een retentierecht van medeverdachte 1 op het schip “naam schip” geen sprake is geweest. De brieven van 9 juni 2006 (1x) en 3 juli 2006 (2x) van medeverdachte 1 gericht aan de gemeente Maastricht, waarin dit retentierecht wordt gepretendeerd, zijn dus valselijk opgemaakt. Verdachte was ten tijde van het opstellen van deze brieven bestuurder van medeverdachte 1.

Volgens de officier van justitie heeft verdachte opdracht gegeven tot het opmaken en versturen van deze brieven, althans heeft hij er feitelijk leiding aan gegeven, althans heeft hij het zelf gedaan. In dat verband heeft hij gewezen op de drie brieven waaronder steeds staat: “medeverdachte 2 i.o. verdachte”. De verdediging heeft het standpunt van de officier van justitie betwist.

De rechtbank acht in dit kader van belang dat het enkele feit dat men bestuurder is nog niet maakt dat men opdracht tot - of feitelijk leiding heeft gegeven aan - de verboden handelingen (zie o.a. HR 24-08-2004; LJN AP1508). Uit de bewijsmiddelen moet van het een of het ander blijken.

De rechtbank heeft echter in het dossier geen bewijsmiddelen aangetroffen waaruit volgt

dat verdachte zelf de opdracht tot het valselijk opmaken heeft gegeven of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven of een en ander zelf zou hebben gedaan. Daarbij merkt de rechtbank nog het volgende op.

Één van de valselijk opgemaakte brieven is ondertekend door medeverdachte 2. Dit wordt ook door medeverdachte 2 erkend. De herkomst van de handtekeningen onder de andere twee brieven is onbekend. Er is in ieder geval geen bewijs dat verdachte één of meer van deze brieven heeft ondertekend.

De getuigen getuige 1 en getuige 2 hebben verklaringen afgelegd met betrekking tot de gang van zaken binnen medeverdachte 1. Zij verklaren niet over een daadwerkelijke rol van verdachte bij het opmaken van deze brieven. Bovendien verklaren zij dat de leiding feitelijk in handen was van bestuurder medeverdachte 1, naam 3 en naam 4. getuige 1, die op het kantoor van medeverdachte 1 werkte, had verdachte zelf nog nooit gezien. Getuige 2 zag hem als een stroman. Beiden beschrijven geen actieve rol voor verdachte binnen de onderneming. Met andere woorden, hetgeen uit het dossier blijkt over de dagelijkse gang van zaken binnen de onderneming wijst niet op betrokkenheid van verdachte.

Alleen de medeverdachte 2 heeft verklaard dat verdachte enige rol gespeeld heeft bij

het onderteken van de brief van 9 juni 2006. Nadat bestuurder medeverdachte 1 hem gevraagd had zich naar de “naam schip” te begeven en hij daar van de secretaris van bestuurder medeverdachte 1, naam 5, de brief overhandigd had gekregen met het verzoek deze te tekenen zou hij verdachte gebeld hebben met de vraag of dat goed was. Dit is echter de enige verklaring over de rol van verdachte in deze kwestie die bovendien is afgelegd door een medeverdachte die er belang bij kan hebben zijn rol zo onbeduidend mogelijk te maken. Daarmee is deze verklaring van medeverdachte 2 niet boven iedere twijfel verheven.

Nu er in de ogen van de rechtbank onvoldoende bewijs is voor enige betrokkenheid van verdachte bij het valselijk opmaken van de brieven, dient hij hiervan te worden vrijgesproken.

Feit 2

Op de gronden die hiervoor zijn besproken dient verdachte eveneens voor de feiten, zoals hem onder feit 2 worden verweten te worden vrijgesproken.

Beslissing

De rechtbank spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF