Veroordeling tot 12 maanden gevangenisstraf en ontzetting van de uitoefening van het beroep van statutair directeur van een rechtspersoon wegens faillissementsfraude

Rechtbank Amsterdam 7 februari 2013, ECLI:NL:RBAMS:2013:442

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het plegen van faillissementsfraude door de volgende handelingen te verrichten:

Feitelijk leiding geven aan het door vennootschap 1 onttrekken van een geleasete Landrover Discovery aan de faillissementsboedel en het niet deugdelijk uitleveren van de administratie aan de curator. Subsidiair door feitelijk leiding te geven aan die handelingen door stichting 1.

Feitelijk leiding geven aan het door vennootschap 2 onttrekken van € 10.000 aan de faillissementsboedel. Subsidiair door deze onttrekking als derde te doen.

Als bestuurder niet deugdelijk aanleveren aan de curator van de administratie van de in staat van faillissement verklaarde vennootschap 3. Subsidiair het feitelijk leiding geven hieraan.

Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in de vervolging van verdachte en daartoe – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Artikel 68 Faillissementswet schrijft voor dat de curator alvorens in rechte op te treden, de machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Het doen van aangifte is een middel om zich als benadeelde partij in het strafproces te kunnen voegen en daarmee een eerste stap in rechte. Nu in deze zaak in geen van de gevallen die machtiging is verleend, dient dit ertoe te leiden dat de officier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat de stelling dat een curator alleen met toestemming of machtiging van de rechter-commissaris aangifte mag doen van faillissementsfraude, geen steun vindt in het recht. Het verweer wordt verworpen.

Waardering van het bewijs

In deze zaak draait het om beschuldigingen van bedrieglijke bankbreuk oftewel faillissementsfraude. Verdachte wordt er van beschuldigd dat hij in een drietal faillissementen een kwalijke rol heeft gespeeld door goederen aan de boedel te onttrekken en geen administratie te voeren, te bewaren en/of te voorschijn te brengen.

De officier van justitie heeft overeenkomstig zijn schriftelijk requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en het volgende aangevoerd.

Aan verdachte is ten laste gelegde dat hij een leaseauto aan de faillissementsboedel van vennootschap 1 heeft onttrokken. Uit de leaseoverkomst blijkt dat het juridisch eigendom altijd bij de financier is gebleven en dat alleen het gebruiksrecht bij de rechtspersoon lag. De auto is nooit eigendom geweest van de gefailleerde en kan dus ook niet aan de boedel zijn onttrokken.

Ten aanzien van niet voeren van een administratie zoals onder 1 en 3 ten laste is gelegd, geldt het volgende. Aangezien het om B.V.’s ging die in zwaar weer verkeerden, was het niet nodig een administratie te voeren omdat er toch geen activiteiten plaatsvonden of zouden plaatsvinden. Wat het bewaren van de administratie betreft, ligt de zaak mogelijk iets gecompliceerder. Verdachte had de titel van bestuurder en dat brengt in beginsel bepaalde verplichtingen mee. Het enkele feit dat verdachte bestuurder was, maakt echter nog niet dat hij schuldig is aan het niet bewaren van de administratie ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers. In het dossier is op de aangifte van de curatoren na niets te vinden over gedane verzoeken tot het te voorschijn brengen van de administratie. Evenmin valt vast te stellen of die verzoeken verdachte hebben bereikt.

In de zaak vennootschap 2 komt uit de bewijsmiddelen naar voren dat sprake is van een gekunsteld verhaal. persoon 1 heeft aan persoon 2 de opdracht gegeven € 10.000 naar verdachte over te maken. Er is echter geen bewijs dat tussen verdachte en persoon 1 contact is geweest. Kennelijk is wel iets afgesproken, maar dat maakt nog niet dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, aldus de raadsman. Subsidiair betoogt de raadsman dat niet is gebleken dat verdachte kennis had van de faillissementsaanvraag.

Oordeel rechtbank

De rechtbank heeft op grond van de wettige bewijsmiddelen die in bijlage II zijn opgenomen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebruikt voor het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het zoals blijkt uit de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, de overtuiging verkregen, en acht dan ook bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde heeft begaan zoals uiteengezet in rubriek 5.

De rechtbank overweegt daarbij verder het volgende. Voorop staat dat onder handelen ‘ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers’ als bedoeld in artikel 341 en 343 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan handelen met het opzet de rechten van de schuldeisers te verkorten. Onder dit opzet is ook het voorwaardelijk opzet begrepen.

Verdachte heeft bij de FIOD verklaard (V01-10, pagina 168) dat hij B.V.’s kocht en dat de mensen van hun B.V. af willen, meestal omdat het slecht ging. Gevraagd naar de administratie van de B.V.’s die verdachte overnam, heeft verdachte geantwoord dat voor zover hij beschikte over de administratie, hij die bij de verkoop heeft doorgegeven, dat hij niet altijd alle administratie kreeg en als die er niet was, hij dat dan accepteerde. Verder heeft verdachte verklaard dat hij voor het overnemen van B.V.’s werd betaald (V01-10, pagina 168).

De rechtbank trekt hieruit de conclusie dat verdachte B.V.’s heeft overgenomen waarvan duidelijk was dat die al op de rand van een faillissement stonden en hiervoor ook nog werd betaald. Hij heeft zich in het geheel niet bekommerd om de administratie van de desbetreffende vennootschappen, niet wat de administratie betreft die de vorige eigenaren wel hadden gevoerd en evenmin gedurende de tijd dat hij aan het roer stond. Verdachte heeft, door zo zijn administratieve verplichtingen te verzaken, de aanmerkelijke kans aanvaard dat de rechten van de schuldeisers van de B.V.’s zouden worden verkort.

Met betrekking tot het onttrekken van de Landrover Discovery aan de boedel van vennootschap 1overweegt de rechtbank het volgende. Uit de stukken blijkt dat deze leaseauto buiten het bereik van de curator is gebracht. Dat de auto onder eigendomsvoorbehoud is geleverd, maakt niet dat geen sprake is van het onttrekken aan de boedel als bedoeld in artikel 341 van het Wetboek van Strafrecht. Het ligt immers in de rede dat de lessee – daar waar het genot en het risico van het gebruik ligt – wordt aangesproken door de lessor ten aanzien van het verdwenen goed. Door het doen ontstaan van deze nieuwe vordering worden de (overige) schuldeisers verkort nu ook deze vordering uit de boedel zal moeten worden voldaan.

De rechtbank is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat tussen de voormalige eigenaar van vennootschap 2 persoon 1 en verdachte sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking, die erin heeft geresulteerd dat een paar dagen voordat de vennootschap failliet werd verklaard, € 10.000 aan de boedel van vennootschap 4 is onttrokken.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde: Bedrieglijke bankbreuk begaan door een rechtspersoon terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde: Medeplegen van bedrieglijke bankbreuk begaan door een rechtspersoon terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde: Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard terwijl hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het voeren van een administratie ingevolge artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 15i, eerste lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers in die artikelen bedoeld, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Gevangenisstraf

Verdachte heeft er een gewoonte van gemaakt zich te bezondigen aan faillissementsfraude. Hij kan worden bestempeld als beroepsfraudeur, voor wie het faillissement een doelbewust instrument is op onrechtmatige wijze vermogen aan de boedel te onttrekken of zich te verrijken ten koste van anderen. Dit doet verdachte door B.V.’s die in het zicht van een faillissement zijn, over te nemen, zich daarvoor te laten betalen en vervolgens niets meer van zich te laten horen, zodat de schuldeisers met lege handen blijven staan. Mede gelet op het strafblad van verdachte waarop de nodige veroordelingen voor valsheid in geschift en oplichting prijken, acht de rechtbank een gevangenisstraf een passende en ook geboden reactie.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Ontzetting uit het beroep van statutair bestuurder van rechtspersonen voor de periode van twee jaar

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar artikel 349 lid 2 Sr in verbinding met artikel 28 lid 1 onder 5 Sr gevorderd verdachte te ontzetten uit het recht het beroep van statutair directeur uit te oefenen. De rechtbank begrijpt de eis van de officier van justitie dat hij vordert dat verdachte wordt ontzet van de uitoefening van het beroep van statutair directeur van een rechtspersoon overeenkomstig artikel 349 lid 1 Sr. Het opleggen van deze ontzetting, een sanctie in de zin van artikel 28, eerste lid, onder 5o, is een mogelijkheid die artikel 349 lid 1 Sr sinds 1 april 2010 biedt.

Verdachte heeft het onder 3 bewezen verklaarde misdrijf begaan in de uitoefening van het beroep van statutair directeur. Om de maatschappij verder te beschermen zal de rechtbank verdachte ontzetten van de uitoefening van dit beroep.

De rechtbank ontzet de verdachte ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde van de uitoefening van het beroep van statutair directeur van een rechtspersoon voor de duur van 2 jaren.

Openbaarmaking vonnis

De rechtbank zal tevens als bijkomende straf de openbaarmaking van dit vonnis gelasten. Hierbij weegt, gelet op aard en de ernst van de bewezen strafbare feiten en de gewoonte van verdachte dergelijke misdrijven te plegen, zoals in de strafmotivering weergegeven, mee dat de maatschappij tegen verdachte moet worden beschermd. De openbaarmaking zal dienen te geschieden door middel van publicatie van dit ongeanonimiseerde vonnis op www.rechtspraak.nl. Aangezien hiermee geen of verwaarloosbare kosten gemoeid zijn, zal de rechtbank de kosten van openbaarmaking op nihil schatten en kan dientengevolge artikel 36 lid 3 juncto artikel 24c Sr buiten beschouwing blijven.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF