Verhoging OM geschat bedrag bij conclusie geen schending vertrouwensbeginsel

Gerechtshof Amsterdam 23 juli 2012, LJN BX2365


Hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Haarlem op de vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingevolge art. 36e Sr. 

Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden voor het medeplegen van overtreding van art. 232 lid 1 Sr (skimming) en deelneming aan een criminele organisatie (art. 140 Sr). Het OM heeft gevorderd dat aan de veroordeelde een ontnemingsmaatregel zal worden opgelegd te hoogte van € 1.861.997,48. Ter terechtzitting is dit bedrag verminderd naar € 14.334,55. De rechtbank heeft de vordering van het openbaar ministerie ex art. 36e Sr afgewezen, waarna het openbaar ministerie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis in de ontnemingszaak.

De advocaat-generaal stelt zich in hoger beroep op standpunt dat het aan de veroordeelde toe te rekenen voordeel dient te worden geschat op € 132.169,05, nu uit de opgave van het totale schadebedrag door Equens Nederland kan worden afgeleid dat de opbrengst uit het skimmen van bankpassen door de onderhavige criminele organisatie € 1.850.366,68 bedraagt. Het aantal deelgerechtigen in de buit kan worden geschat op veertien, waardoor kan worden uitgegaan van een pondsgewijze toerekening.  

De verdediging heeft primair de (partiële) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit wegens schending van het vertrouwensbeginsel, nu de A-G pas bij zijn conclusie blijkt geeft van een ommezwaai en het voordeel wordt geschat op € 132.169,05. Voorts heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat veroordeelde een deel van het geskimde geld heeft ontvangen en uit het dossier evenmin daarvan blijkt.

Het Hof is van oordeel dat het verweer tot partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens schending van het vertrouwensbeginsel moet worden verworpen. De hoogte van dit geldbedrag genoemd in de vordering is een schatting, waaraan het openbaar ministerie, noch de rechter is gebonden. Van een partiële niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, zoals door de raadsvrouw bepleit, kan derhalve geen sprake zijn.
 
Met betrekking tot de gestelde schending van het vertrouwensbeginsel geldt het volgende. Voor zover het openbaar ministerie door zijn eerder ingenomen standpunt al verwachtingen heeft gewekt, kan de schending daarvan niet tot niet-ontvankelijkheid leiden. Daargelaten dat het het openbaar ministerie vrijstaat zelfs tot op de terechtzitting de vordering aan te passen binnen de kaders van het onderliggende dossier, dat bij de veroordeelde en haar raadsvrouw bekend moet worden geacht, is de veroordeelde door de verandering van het standpunt niet in haar belangen geschaad, nu het hof, zoals gezegd, niet aan het door het openbaar ministerie ter zake ingenomen standpunt is gebonden, terwijl het gewijzigde standpunt van het openbaar ministerie overigens tijdig voor de inhoudelijke behandeling van de onderhavige zaak en ruim voor haar uitzetting aan de veroordeelde is medegedeeld, zodat er vanuit moet worden gegaan dat er voldoende tijd is geweest voor overleg met de raadsvrouw.

Met betrekking tot de ontnemingsmaatregel overweegt het Hof dat, hoewel het er met de advocaat-generaal vanuit gaat dat, veroordeelde zal hebben gehandeld vanuit de verwachting dat zij daarvoor zou worden beloond en mogelijk ook enige beloning heeft ontvangen, geen aanknopingspunten ziet om tot een schatting van enig daadwerkelijk wederrechtelijk verkregen voordeel te komen. Het hof acht het gelet op het voorgaande niet redelijk en billijk de totale opbrengst van genoemde skimincidenten pondspondsgewijs aan de veroordeelde en een aantal andere leden van de organisatie toe te rekenen, terwijl iedere andere aanwijzing voor een op verantwoorde wijze te maken schatting ontbreekt. Het Hof wijst de vordering dan ook af.  


Nicole Priems
Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF