Verduistering van ruim € 106.000 van hoogbejaard slachtoffer door financieel beheerder, gecombineerd met zorgfraude en valsheid in geschrift
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:659
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een vrouw voor de verduistering van ruim € 106.000 van een hoogbejaarde en kwetsbare man wiens financien zij als zaaksbeheerder beheert. De verduistering vindt plaats over een periode van meer dan vijf jaar, van 2014 tot en met 2019. Daarnaast maakt de verdachte zich schuldig aan oplichting van een zorgverzekeraar voor ruim € 8.700 door het indienen van twintig vervalste zorgdeclaraties en aan het aanwezig hebben van cocaine. De dochter en enig erfgenaam van het inmiddels overleden slachtoffer wordt niet-ontvankelijk verklaard als benadeelde partij, maar het hof legt wel de schadevergoedingsmaatregel op van € 106.259,13, die door erfopvolging aan de erfgenaam toekomt. Het hof legt een gevangenisstraf op van 9 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf van 120 uren. Het hof wijkt hiermee af van zowel de straf in eerste aanleg als van de vordering van de advocaat-generaal.
Inleiding en context
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelt in hoger beroep een strafzaak tegen een vrouw, geboren in 1973, die als financieel zaaksbeheerder met notariele volmacht het vermogen beheert van een hoogbejaarde en kwetsbare man. De zaak betreft twee gevoegde strafzaken. In de eerste zaak staat de verduistering centraal van aanzienlijke geldbedragen van het slachtoffer over een periode van ruim vijf jaar, alsmede het aanwezig hebben van cocaine. In de tweede, gevoegde zaak gaat het om oplichting van een zorgverzekeraar door het indienen van vervalste zorgdeclaraties en de daarmee samenhangende valsheid in geschrift. De rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, veroordeelt de verdachte op 31 januari 2023 in eerste aanleg voor alle feiten. De verdachte stelt hoger beroep in tegen dat vonnis. Het hof vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht, nu het deels tot een andere bewezenverklaring komt en een andere straf oplegt.
Tenlastelegging en wettelijk kader
In de eerste zaak wordt de verdachte verweten dat zij zich in de periode van 13 maart 2014 tot en met 7 oktober 2019 schuldig maakt aan verduistering in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. Zij heeft als financieel zaaksbeheerder met notariele volmacht geldbedragen die toebehoren aan het slachtoffer wederrechtelijk toegeeigend. Oorspronkelijk is het in de tenlastelegging genoemde totaalbedrag circa € 142.626, maar het hof stelt het bewezen bedrag vast op € 106.259,13. Daarnaast wordt de verdachte verweten dat zij op 12 mei 2020 opzettelijk MDMA en cocaine aanwezig heeft, in strijd met artikel 2 onder C van de Opiumwet. In de gevoegde zaak wordt de verdachte verweten dat zij zich in de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017 schuldig maakt aan oplichting van een zorgverzekeraar (artikel 326 Sr) door het indienen van vervalste declaraties en facturen van een tandarts en twee andere zorgverleners. De zorgverzekeraar wordt hierdoor bewogen tot afgifte van geldbedragen van in totaal ten minste € 8.790,35. Ten slotte wordt de verdachte verweten dat zij in dezelfde periode meermalen valsheid in geschrift pleegt en opzettelijk gebruik maakt van valse geschriften (artikel 225, eerste en tweede lid, Sr), door het opmaken en indienen van twintig valse facturen en declaratieformulieren bij de zorgverzekeraar.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal vordert vernietiging van het vonnis van de rechtbank. Voor de verduistering en het drugsbezit vordert het Openbaar Ministerie een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voor de oplichting en valsheid in geschrift vordert de advocaat-generaal een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast vordert het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij, zijnde de dochter en enig erfgenaam van het inmiddels overleden slachtoffer, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de erfgenaam voor een bedrag van € 112.124,13, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van vervangende gijzeling.
Standpunt van de verdediging
Uit de uitspraak blijkt dat de verdachte alle feiten duidelijk en ondubbelzinnig bekent ter zitting van het hof op 21 januari 2026. De verdediging bepleit geen vrijspraak. Het hof volstaat daarom met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Verdere verweren van de verdediging worden in de uitspraak niet weergegeven. Wel blijkt dat de verdachte ter zitting aangeeft druk te hebben ervaren door haar toenmalige levensomstandigheden en dat zij bezig is haar bestaan opnieuw op te bouwen en verantwoordelijkheid wil nemen voor haar handelen.
Oordeel gerecht
Nu de verdachte alle feiten bekent en de verdediging geen vrijspraak bepleit, volstaat het hof met een opgave van de bewijsmiddelen. Voor de verduistering baseert het hof zich op de bekennende verklaring van de verdachte en het proces-verbaal van aangifte van het slachtoffer van 7 oktober 2019. Voor het drugsbezit steunt het bewijs op de bekennende verklaring, het proces-verbaal van doorzoeking, de kennisgeving van inbeslagneming en het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen. Voor de oplichting en de valsheid in geschrift baseert het hof zich op de bekennende verklaring en de aangifte namens de zorgverzekeraar.
Het hof komt deels tot een andere bewezenverklaring dan de rechtbank. Ten aanzien van de verduistering stelt het hof het verduisterde bedrag vast op € 106.259,13, waar de tenlastelegging een bedrag van circa € 142.626 noemt. Ten aanzien van het drugsbezit acht het hof uitsluitend het bezit van 0,16 gram cocaine bewezen en spreekt het de verdachte vrij van het aanwezig hebben van MDMA. Het hof acht de oplichting van de zorgverzekeraar bewezen voor een bedrag van ten minste € 8.790,35. De valsheid in geschrift wordt bewezen verklaard voor alle twintig genoemde facturen en declaratieformulieren, zowel het valselijk opmaken als het opzettelijk gebruik maken daarvan.
Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als verduistering (meermalen gepleegd), overtreding van artikel 2 onder C van de Opiumwet, oplichting (meermalen gepleegd), en valsheid in geschrift (meermalen gepleegd) in combinatie met het opzettelijk gebruik maken van vervalste geschriften (meermalen gepleegd). De verdachte is strafbaar nu geen omstandigheden zijn gebleken die haar strafbaarheid uitsluiten.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij neemt het hof de overwegingen van de rechtbank over. De dochter en enig erfgenaam van het slachtoffer wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, omdat zij niet rechtstreeks schade heeft geleden door de verduistering. De vordering die zij krachtens erfopvolging onder algemene titel heeft verkregen, kan niet als haar eigen rechtstreekse schade worden aangemerkt. Nu het slachtoffer niet ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kan de erfgenaam zich niet als benadeelde partij voegen. Het hof legt wel de schadevergoedingsmaatregel op ten behoeve van het slachtoffer, welk bedrag door erfopvolging toekomt aan de erfgenaam.
Bewezenverklaring
Verduistering, meermalen gepleegd, van geldbedragen tot een totaalbedrag van € 106.259,13 ten nadele van het slachtoffer, in de periode van 13 maart 2014 tot en met 7 oktober 2019, gepleegd in de hoedanigheid van financieel zaaksbeheerder met notariele volmacht.
Opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 0,16 gram cocaine op 12 mei 2020.
Oplichting van een zorgverzekeraar, meermalen gepleegd, in de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017, door het indienen van valse declaraties en facturen, waardoor de zorgverzekeraar wordt bewogen tot afgifte van geldbedragen van in totaal ten minste € 8.790,35.
Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, en opzettelijk gebruik maken van vervalste geschriften, meermalen gepleegd, in de periode van 25 september 2014 tot en met 31 december 2017, betreffende twintig valse facturen en declaratieformulieren.
De verdachte wordt vrijgesproken van het aanwezig hebben van MDMA en van de verduistering voor zover het bedrag het bewezen bedrag van € 106.259,13 te boven gaat.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof neemt bij de strafbepaling de binnen de rechtspraak gehanteerde orientatiepunten voor straftoemeting tot uitgangspunt. Bij fraude met een benadelingsbedrag van € 125.000 tot € 250.000 geldt als orientatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden. Het hof overweegt dat het zwaartepunt van de straf ligt op de verduistering, gelet op de ernst daarvan, de lange pleegperiode, de omvang van de benadeling en het misbruik van de kwetsbare positie van het hoogbejaarde slachtoffer. De verdachte onttrekt structureel gelden aan het vermogen van het slachtoffer, hetgeen ertoe leidt dat het slachtoffer aan het einde van zijn leven wordt geconfronteerd met ernstige financiele problemen en onbetaalde rekeningen. Daarnaast weegt het hof mee dat de verdachte zich schuldig maakt aan oplichting van een zorgverzekeraar en valsheid in geschrift, waardoor het vertrouwen dat aan het zorgstelsel ten grondslag ligt, wordt geschaad. Ten gunste van de verdachte houdt het hof rekening met het feit dat zij niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten en dat zij bezig is haar bestaan opnieuw op te bouwen.
Het hof legt een gevangenisstraf op van 9 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Het voorwaardelijke deel beoogt herhaling te voorkomen en de verdachte ruimte te bieden haar leven verder te stabiliseren. Het hof wijkt daarmee af van zowel de straf in eerste aanleg (9 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk, zonder taakstraf) als van de vordering van de advocaat-generaal (die geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf vordert maar uitsluitend taakstraffen en een voorwaardelijke gevangenisstraf). Daarnaast legt het hof de schadevergoedingsmaatregel op van € 106.259,13, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 oktober 2019, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal gijzeling kan worden toegepast voor ten hoogste 360 dagen. De verdachte doet ter zitting afstand van alle inbeslaggenomen voorwerpen, zodat het hof daarover geen afzonderlijke beslissing neemt.
Lees hier de volledige uitspraak.
