Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggevende stelselmatig schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15 mei 2017, ECLI:NL:RBZWB:2017:2851

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 4 jaar als feitelijk leidinggevende van een bedrijf stelselmatig schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door daarin valse inkoopfacturen met betrekking tot de aankoop van diesel op te nemen.

Vervolgens zijn mede op basis van deze valse administratie opzettelijk onjuiste (suppletie)aangiften omzetbelasting gedaan. Voorts heeft het bedrijf van verdachte gedurende die periode een grote hoeveelheid diesel voorhanden gehad, waarop geen accijns was geheven. Uit de berekeningen die door de Belastingdienst zijn gemaakt komt een totaal belastingnadeel (inclusief accijns) naar voren van ongeveer 700.000 euro.

Beoordeling rechtbank

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen – in het bijzonder uit de bevindingen van de Belastingdienst ten aanzien van de onder feit 1 vermelde inkoopfacturen bij een boekenonderzoek bij bedrijf 1 (hierna: bedrijf 1 ), de verklaringen die zijn afgelegd door personen die werkzaam zijn/waren bij de bedrijven die op deze inkoopfacturen als leverancier zijn vermeld en de verklaring van verdachte Medeverdachte 1 (hierna ook te noemen Medeverdachte 1 ) over deze facturen – is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 genoemde inkoopfacturen vals zijn in die zin dat de leveringen die op deze inkoopfacturen zijn vermeld niet hebben plaatsgevonden. Deze inkoopfacturen zijn aangetroffen in de bedrijfsadministratie van bedrijf 1, waardoor (een deel van) de bedrijfsadministratie van bedrijf 1 valselijk is opgemaakt.

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen - in het bijzonder uit de verklaring van verdachte medeverdachte 2 - is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 vermelde valse inkoopfacturen (m.u.v. de inkoopfacturen van bedrijf 4 met een factuurdatum in 2010) zijn verwerkt in de bij de Belastingdienst ingediende suppletieaangiften voor de omzetbelasting van bedrijf 1 over de jaren 2007, 2008 en 2009. Mede gelet op hetgeen onder 1 bewezen is verklaard, zijn daarmee deze suppletieaangiften opzettelijk onjuist gedaan.

Nu door het verwerken van de valse inkoopfacturen in de suppletieaangiften omzetbelasting onterecht omzetbelasting is teruggevraagd - en ook door de Belastingdienst is uitbetaald - is voldaan aan het vereiste dat het indienen van deze suppletieaangiften ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen - in het bijzonder de bevindingen van de Belastingdienst / FIOD en de verklaring van medeverdachte 2 – is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 3 vermelde maand- en kwartaalaangiften voor de omzetbelasting van bedrijf 1 opzettelijk onjuist en/of onvolledig zijn gedaan.

Medeverdachte 2 heeft immers verklaard dat hij de kosten van bedrijf 1, waaronder de brandstofkosten, bij gebreke van inkoopfacturen heeft geschat. Hij heeft daarnaast verklaard dat de bedrijfsresultaten van bedrijf 1 niet goed waren en dat hij daarom de voorbelasting en verschuldigde omzetbelasting aan elkaar gelijk heeft gesteld. Door aldus te handelen heeft medeverdachte 2 naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat naar aanleiding van deze aangiften een te laag bedrag aan omzetbelasting werd geheven, waarmee voldaan is aan het vereiste dat het indienen van deze suppletie-aangiften ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. De vraag of er sprake is van strafbare gedragingen van bedrijf 1 en zo ja, of verdachte aan deze verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven, wordt hierna besproken.

Feit 4

Op grond van artikel 80 van de Wet op de accijns in samenhang met artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit accijns en artikel 54 van de Uitvoeringsregeling accijns moet aan de hand van bescheiden de herkomst van accijnsgoederen kunnen worden aangetoond, indien deze goederen niet onder een accijnsschorsingsregeling worden vervoerd dan wel voorhanden zijn. Indien degene die de accijnsgoederen voorhanden heeft, de herkomst niet aan de hand van bescheiden kan aantonen, rust op hem de bewijslast; hij zal dan moeten aantonen dat de accijnsgoederen overeenkomstig de bepalingen van de wet in de heffing zijn betrokken (zie Hoge Raad 24 augustus 1999, nr. 34 164, BNB 1999/383). Van voorhanden hebben is op grond van de jurisprudentie sprake indien de betrokkene in kwestie geacht kan worden de feitelijke beschikkingsmacht over de bewuste goederen te hebben en tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat in de administratie van bedrijf 1 geen bescheiden aanwezig zijn waarmee de herkomst van de door bedrijf 1 gebruikte dieselbrandstof door bedrijf 1 kan worden aangetoond. De aangetroffen inkoopfacturen betrekking hebbend op leveranties van diesel zijn, zoals onder feit 1 reeds is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank vals en tonen die herkomst dus niet aan. De bij bedrijf 1 aangetroffen kladaantekeningen en overzichten opgesteld door Medeverdachte 1, waarvan de gegevens door de FIOD zijn verzameld in document D-145 en dat een totaal van niet verantwoorde liters laat zien van 635.457,70, tonen de herkomst evenmin aan. De herkomst van de daarop vermelde hoeveelheden kon alleen door het horen van getuigen en onderzoek van de administratie worden gereconstrueerd.

Op grond van vorenstaande en op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat bedrijf 1 635.457,70 liter diesel brandstof, zijnde een accijnsgoed, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing is betrokken.

Het door de verdediging gevoerde verweer dat het erop lijkt dat wél voor een groot deel accijns op de diesel is geheven, wordt hierna bij het feitelijke leiding geven behandeld.

Feitelijke leiding geven door verdachte bij alle feiten

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet als feitelijke leidinggever kan worden beschouwd van de strafbare gedraging van de rechtspersoon onder 1, te weten valsheid in geschrift met betrekking tot het opnemen van valse inkoopfacturen in de bedrijfsadministratie van bedrijf 1. Verdachte zou geen wetenschap of bewustzijn hebben van het bestaan van de vermeende verboden gedragingen. Hij was slechts “op papier” directeur van bedrijf 1 en bemoeide zich niet met de administratie en de financiële taken.

Evenmin kan verdachte, volgens de verdediging, aangemerkt worden als feitelijke leidinggever van het doen van onjuiste belastingaangiften (feiten 2 en 3) en het voorhanden hebben van onveraccijnsde diesel (feit 4). Niet is voldaan aan de vereisten van wetenschap of bewustzijn, macht of beschikkingsbevoegdheid en aanvaarding, waardoor verdachte niet kan worden aangemerkt als feitelijke leidinggever.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.

Volgens heersende jurisprudentie van de Hoge Raad (zie overzichtsarrest Hoge Raad 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733) kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

a. het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

b. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,

c. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf, en

d. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leidinggever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leiding geven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leidinggever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leiding gever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Feitelijke leiding geven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leiding geven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leiding geven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leiding geven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leidinggever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging. Een ander voorbeeld van een geval waarin onder omstandigheden voldaan kan zijn aan het voor de feitelijke leidinggever geldende opzetvereiste biedt een leidinggever die de werkzaamheden van een onderneming zo organiseert dat hij ermee rekening houdt dat de aan de betrokken werknemers gegeven opdrachten niet kunnen worden uitgevoerd zonder dat dit gepaard gaat met het begaan van strafbare feiten.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de hierboven genoemde gedragingen (te weten het verwerken van valse facturen in de bedrijfsadministratie en in de suppletieaangiften voor de omzetbelasting, het onjuist doen van de maand- en kwartaalaangiften voor de omzetbelasting en het voorhanden hebben van onveraccijnsde diesel) zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon bedrijf 1, gelet op de hierboven genoemde criteria, en dat deze gedragingen opzettelijk door bedrijf 1 zijn begaan, waarmee bewezen wordt geacht dat deze rechtspersoon de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Tegen deze conclusie is door de verdediging ook geen verweer gevoerd.

Daarbij overweegt de rechtbank dat medeverdachte 2 als boekhouder werkzaam was voor bedrijf 1, verdachte bestuurder en enig aandeelhouder was van bedrijf 1 en Medeverdachte 1 feitelijk werkzaamheden verrichtte voor (vooral) de administratie van bedrijf 1

De rechtbank stelt voorts het volgende vast met betrekking tot de rol die verdachte (en eventueel medeverdachten) ten aanzien van de hierboven bewezen verklaarde gedragingen heeft(/hebben) gespeeld.

Verdachte is sinds 9 november 2006 directeur van bedrijf 1. Deze rechtspersoon verricht transportwerkzaamheden voor haar klanten.

Verdachte heeft verklaard zich ondanks zijn directeursfunctie niet bezig te hebben gehouden met de administratie en de financiële zaken binnen bedrijf 1. Er was echter, gelet op de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte medeverdachte 2, voor verdachte alle aanleiding om alert te zijn op de juistheid van de administratie en de daarmee samenhangende aangiften omzetbelasting. De bewezen verklaarde verboden gedragingen onder de feiten 1 tot en met 4 zijn daarmee het onvermijdelijke gevolg van het algemene, door de verdachte als bestuurder gevoerde beleid. Ook kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat, blijkens de bewijsmiddelen verdachte een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedragingen heeft geleverd en daarbij zodanige initiatieven heeft genomen dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedragingen feitelijk leiding te hebben gegeven.

Feitelijke leidinggeven feit 4

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank nog dat door verdachte zelf is erkend dat er door hem zogenaamde IBC-containers gevuld met diesel van het terrein van bedrijf 6 in Essen (België) zijn vervoerd naar het bedrijfsterrein van bedrijf 1. Volgens verdachte heeft naam 1 van deze Belgische onderneming hem bij het afhalen van diesel voorgesteld om het onderling te regelen, maar dat hij, verdachte, dat niet wilde. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte met “onderling regelen” bedoelt dat de diesel zonder facturen zou worden geleverd. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij niet wilde dat het onderling geregeld werd niet aannemelijk, gelet op de verklaring van naam 1 dat de door verdachte, zijn (ex-)echtgenote Medeverdachte 1 of chauffeurs getankte diesel contant werd betaald en dat daar geen documenten van op werden gesteld omdat verdachte had gezegd geen papieren te willen, en de verklaring van chauffeurs van bedrijf 1 dat zij bij bedrijf 6 in Essen tankten zonder dat zij een (tank)bon kregen. Zelfs wanneer verdachte dat wel zou hebben gezegd, had het als directeur onder die omstandigheden op zijn weg gelegen om achteraf te controleren of er facturen van bedrijf 6 in de administratie terecht waren gekomen. Dat heeft verdachte echter nagelaten.

Voorts betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat Medeverdachte 1 heeft verklaard dat zij op verzoek van verdachte overzichten heeft gemaakt van getankte liters diesel en dat zij nooit inkoopfacturen of betalingsbewijzen van deze diesel heeft gezien. Zij deed samen met verdachte contante opnames voor o.a. het betalen van brandstof.

Op grond van de afwezigheid in de administratie van bedrijf 1 van bescheiden waarmee de herkomst kon worden aangetoond, wisten verdachte en Medeverdachte 1 naar het oordeel van de rechtbank dat de herkomst niet kon worden aangetoond. Verdachte en Medeverdachte 1 waren immers betrokken bij ofwel de aankoop van de diesel zonder bonnen of facturen dan wel bij de opmaak van de administratie, waarin bescheiden die de herkomst konden aantonen, verwerkt hadden moeten worden. In zoverre zijn verdachte en Medeverdachte 1 naar het oordeel van de rechtbank feitelijke leidinggevers van het opzettelijk voorhanden hebben van diesel die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken.

Gelet op dit oordeel wordt het door de verdediging gevoerde verweer dat het erop lijkt dat wél voor een groot deel accijns op de diesel is geheven, gepasseerd. Dat verdachte Medeverdachte 1 veel bonnetjes zou hebben weggegooid, is niet aannemelijk geworden gelet op de voorhanden zijnde verklaringen in het dossier, waaronder de verklaring van Medeverdachte 1 zelf dat diesel contant zonder factuur werd ingekocht. Deze laatste verklaring wordt door de rechtbank betrouwbaar geacht, nu Medeverdachte 1 ook zichzelf in die verklaring belast en deze verklaring gesteund wordt door verklaringen van anderen inhoudende dat diesel contant zonder factuur werd getankt. Verdachte heeft ook anderszins niet aannemelijk kunnen maken dat er wel accijns op de diesel die op het overzicht in D-145 is vermeld, is geheven.

Feitelijke leidinggeven feit 1-3

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 overweegt de rechtbank het volgende.

Dat binnen bedrijf 1 gebruik is gemaakt van valse facturen en dat verdachte daarvan wist, blijkt uit de verklaringen van naam 2 bij de rechter-commissaris, de verklaring van medeverdachte 2 dat verdachte pas aan het eind van het jaar met - naar later gebleken valse - inkoopfacturen kwam aanzetten en daarbij zei dat die facturen zonder vragen te stellen in de administratie ingeboekt moesten worden en de verklaring van Medeverdachte 1 dat zij die facturen van verdachte had gekregen en dat zij wist dat verdachte met iets bezig was dat niet klopte met betrekking tot die facturen. Zij heeft ook verklaard dat zij wist dat die facturen vals waren en dat verdachte deze is gaan zoeken om de administratie “schoon” te houden. Volgens Medeverdachte 1 was zij erbij toen verdachte met medeverdachte 2 sprak over facturen. De - valse - facturen die onder feit 1 staan beschreven heeft zij in het bakje van medeverdachte 2 gelegd en medeverdachte 2 heeft de papieren die zij voor hem klaar legde in de aangiften verwerkt, aldus Medeverdachte 1. Die facturen hadden te maken met de lijsten van aankopen van brandstof zonder BTW, zoals deze op document D-145 zijn vermeld. Volgens Medeverdachte 1 heeft verdachte die lijsten gebruikt om voor de hoeveelheden die op de lijst stonden voor facturen te zorgen.

Verdachte heeft weliswaar verklaard dat medeverdachte 2 en Medeverdachte 1 liegen op dit punt, maar de rechtbank acht deze verklaringen betrouwbaar, omdat medeverdachte 2 en Medeverdachte 1 niet alleen zichzelf met die verklaringen belasten, maar ook omdat die verklaringen steun vinden in andere bewijsmiddelen.

Medeverdachte 2 heeft voorts verklaard dat hij de door hem gemaakte aangiften omzetbelasting inhoudelijk heeft besproken met verdachte of Medeverdachte 1. Medeverdachte 1 heeft dit bevestigd en heeft verklaard dat de aangiften over de jaren 2007 tot en met 2009 met haar en verdachte zijn besproken. Medeverdachte 2 heeft ook nog expliciet met betrekking tot de suppletieaangiften verklaard dat deze met verdachte en Medeverdachte 1 zijn besproken en dat er toen een discussie ontstond over de grote teruggaaf die op basis van de suppletie zou komen.

Met betrekking tot document D-136 heeft Medeverdachte 1 verklaard dat medeverdachte 2 dit document met verdachte besproken heeft. De rechtbank stelt vast dat de handgeschreven tekst van medeverdachte 2 is en dat die tekst (met name het totale factuurbedrag) nagenoeg overeenkomt met het totaalbedrag van de 5 valse inkoopfacturen van bedrijf 5., hetgeen er naar het oordeel van de rechtbank op duidt dat de valse inkoopfacturen zijn opgemaakt aan de hand van de door medeverdachte 2 handgeschreven tekst.

Daarnaast heeft getuige 1 verklaard dat verdachte en Medeverdachte 1 de verantwoordelijke personen waren binnen bedrijf 1 en dat verdachte overal over besliste. Volgens getuige 2 was het laatste beslissende woord bij verdachte.

Gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven daarover nog is overwogen omtrent de criteria geldend voor het feitelijke leiding geven, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, gelet op het door hem gevoerde beleid en zijn feitelijke gedragingen, als feitelijke leiding gevende van de onder 1 tot met 3 vermelde verboden gedragingen dient te worden aangemerkt. Uit de aangehaalde verklaringen, in samenhang gezien, ontstaat het beeld dat verdachte zich met alles binnen het bedrijf bemoeide, ook met de administratie en de belastingaangiften, dat hij initiatieven ontplooide en dat hij uiteindelijk het laatste woord had. Hierbij merkt de rechtbank op dat volgens de juridische criteria (ook) de medeverdachten medeverdachte 2 en Medeverdachte 1 als (mede)pleger respectievelijk feitelijk leiding gevende van die gedragingen dienen te worden beschouwd.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte ook ten tijde van de periode dat hij in 2008 en 2009 in detentie zat als feitelijke leiding gevende kan worden beschouwd, nu uit de bewijsmiddelen niet alleen blijkt dat verdachte de verboden gedragingen zoals het opnemen van valse facturen in de bedrijfsadministratie van bedrijf 1 in 2007 in gang heeft gezet en dat hij daarmee ook na zijn detentie in 2009 is doorgegaan, maar ook, namelijk uit de verklaring van Medeverdachte 1, dat verdachte mensen heeft geregeld die de in de tenlastelegging genoemde facturen heeft laten maken, waaruit ook de voortdurende betrokkenheid van verdachte kan worden afgeleid bij het opmaken van de valse facturen ten tijde van zijn detentie.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
  • Feit 2 primair: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte
  • onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 4: opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Strafoplegging

  • 18 maanden gevangenisstraf

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF