Medeplegen witwassen door uit (eigen) misdrijf afkomstig, op rekening ontvangen KOT over te maken: Bijzonder geval waarin “overdragen” gelijk gesteld moet worden met “verwerven” / “voorhanden hebben”?

Hoge Raad 16 mei 2017, ECLI:NL:HR:2017:892

De verdachte is bij arrest van 17 september 2015 door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens 1 primair en 2 telkens medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd en 3 medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd.

Middel

Het middel klaagt met een beroep op HR 25 maart 2014, NJ 2014/303 m.nt. Keijzer dat het hof het onder 3 bewezenverklaarde ten onrechte als “witwassen” heeft gekwalificeerd.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81, eerste lid, RO.

Conclusie AG

De rechtspraak waarop de steller van het middel ongetwijfeld het oog heeft, betreft het geval dat de verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan (“eigen”) misdrijf. Zij heeft in beginsel geen betrekking op een geval als het onderhavige waarin is bewezenverklaard het overdragen in de betekenis die ingevolge art. 420bis Sr aan die begrippen toekomt, van voorwerpen. Dat wordt pas anders indien geoordeeld moet worden dat het overdragen van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft zich automatisch ook schuldig zou maken aan het (schuld)witwassen van die voorwerpen. Ratio achter deze nadere nuancering van de Hoge Raad is dat voorkomen moet worden dat de desbetreffende regels worden omzeild enkel door het tenlasteleggen en/of bewezenverklaren van een andere delictsgedraging dan verwerven of voorhanden hebben.

Het door de Hoge Raad bedoelde bijzonder geval doet zich hier echter niet voor. Gelet op de vaststellingen van het hof heeft de verdachte de geldbedragen niet enkel verworven en voorhanden gekregen, maar heeft hij deze bedragen later in de tijd weer overgedragen aan anderen.

Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF