Verdachte heeft tbv derden opzettelijk onjuiste/ te hoge aftrekposten opgevoerd voor ziektekosten of andere buitengewone uitgaven. Werkwijze gaat verder dan alleen het opzettelijk doen van onjuiste/onvolledige aangiften: levert valsheid in geschrifte op.

Rechtbank Limburg 25 maart 2015, ECLI:NL:RBLIM:2015:2639

De verdachte staat terecht ter zake van het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften voor zichzelf en voor anderen, zodanig dat ook gesproken kan worden van valsheid in geschrift.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen. De verdachte heeft erkend dat hij zijn belastingaangiften over de jaren 2010 en 2011 met opzet onjuist heeft gedaan door inkomsten niet op te geven. De verdachte verdiende veel geld door voor derden de belastingaangifte te verzorgen en door boekhoudingen bij te houden, maar wilde dit verborgen houden in verband met zijn WAO-uitkering.

Verder voerde de verdachte ten behoeve van die derden opzettelijk onjuiste of veel te hoge aftrekposten op voor ziektekosten of andere buitengewone uitgaven, terwijl deze kosten in werkelijkheid niet door deze belastingplichtigen waren gemaakt.

Verdachte ging daarbij zo “creatief” te werk dat er sprake is van valsheid in geschrift (feit 2 primair). Dat geldt niet alleen voor de belastingaangiften die specifiek in de tenlastelegging zijn genoemd. De officier van justitie heeft uitgerekend dat het om een groot aantal valse aangiften gaat, alleen al 1054 in 2011 en 2012, maar dit aantal betrekt zij alleen bij de strafmaat.

De officier van justitie is verder van mening dat de desbetreffende belastingplichtigen als medeplegers moeten worden aangemerkt, omdat zij (in elk geval globaal) op de hoogte waren van de inhoud van de valse aangiften en niet uit eigen beweging bij de belastingdienst duidelijk hebben gemaakt dat zij teveel belasting hadden teruggekregen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Volgens de raadsvrouw heeft de verdachte zich niet schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift (feit 2 primair), noch aan het opzettelijk opvoeren van onjuiste aftrekposten op de aangiften van anderen (feit 2 subsidiair).

Volgens de raadsvrouw is de verdachte afgegaan op de mededelingen van zijn cliënten. Ook ging hij ervan uit dat deze cliënten beschikten over bewijsstukken, ook al hebben zij die niet altijd aan hem laten zien. De verdachte had er geen bijzonder financieel belang bij om te hoge posten op te voeren, omdat hij alleen een vast bedrag ontving voor het verzorgen van de aangiften. Hij heeft nooit vermoed dat er iets niet in orde zou zijn met de aangiften, aldus de raadsvrouw.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank acht dit feit bewezen en volstaat met het opsommen van de bewijsmiddelen omdat de verdachte dit feit heeft bekend.

Feit 2

Feit 2 acht de rechtbank in de primaire variant bewezen, zij het dat de rechtbank ten aanzien van de aangiften van één persoon ([medeverdachte]) tot een partiele vrijspraak komt.

Verdachte heeft verklaard dat hij elektronische aangiftebiljetten inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft opgemaakt en verzonden voor derden. De aangiften zijn bij de Belastingdienst elektronisch binnengekomen vanaf de maand februari 2008 t/m de maand mei 2012. Het betreft in het bijzonder de aangiften van:

    • medeverdachte 2 over de jaren 2007 tot en met 2010;
    • medeverdachte 3 over de jaren 2007 tot en met 2010;
    • medeverdachte 4 over de jaren 2007 tot en met 2011;
    • medeverdachte 5 over de jaren 2007 tot en met 2011.

De beoordeling van deze aangiften moet naar het oordeel van de rechtbank voorts geplaatst worden in de context van hetgeen de verdachte in meer algemene zin heeft verklaard over zijn werkwijze. Daarom zal de rechtbank alvorens zij de specifieke aangiften bespreekt, dit algemene gedeelte van de verklaring van de verdachte bij de FIOD weergeven en daar conclusies uit trekken, die zij vervolgens meeneemt bij de specifieke gevallen. De verdachte heeft het volgende verklaard:

  • Ik heb altijd aangenomen dat hetgeen de klanten tegen mij zeiden de waarheid was. Ik had een lijstje met specifieke ziektekosten. Ik vroeg dan aan hen of een van deze kosten op hen van toepassing waren. Indien zij dan tegen mij zeiden dat ze maagklachten hadden, dan vroeg ik hen uitdrukkelijk of ze daar een dieet voor hadden en dan vulde ik bij de aftrekposten een dieet in. Er waren ook mensen die tegen mij zeiden dat ze bijvoorbeeld 6 diëten hadden. Nou dan vulde ik dat in. Als dan achteraf bleek dat ze maar 2 diëten hadden, dan kan ik daar niets aan doen. Ik vroeg niet om bewijsstukken.
  • Ik ben daar soms wel te gemakkelijk in geweest. Bijvoorbeeld: als ik een klant vraag of zij last heeft van incontinentie, dan zie ik hoe zij zich ervoor schaamt om hierop antwoord te geven. Bij een volgende klant durf ik dat dan al bijna niet te vragen en ben er dan vaker vanuit gegaan dat dit wel het geval was en heb ik dit op de aangifte ingevuld zonder dat de klant mij dit verteld heeft. Zo kan ik nog veel meer voorbeelden noemen.
  • Ik moet wel bekennen dat het heel vaak voorkomt dat mensen geen onderliggende bescheiden bij zich hebben waarmee ze bepaalde aftrekposten kunnen aantonen. Ik vind dat ook niet zo belangrijk; als zij tegen mij zeggen dat ze die kosten hebben gemaakt en ze volgens de belastingwet aftrekbaar zijn, dan voer ik die kosten in op hun aangifte. Ik geloof mijn klanten en zij moeten dan later maar die bescheiden overleggen aan de Belastingdienst, als die erom vraagt. Ik geef wel toe dat ik hierin misschien wel iets te gemakkelijk ben geweest.

Op de vraag: Hoe kan het dat bijna alle klanten van u hele hoge aftrek buitengewone lasten claimen?

  • Dit komt omdat de klanten mij aangaven dat zij die aftrekposten hadden. Althans, ze hebben het mij niet altijd nadrukkelijk gezegd, maar ik heb ook als ik dacht of de indruk kreeg dat zij recht hadden op een bepaalde aftrek, deze aftrek voor hen opgevoerd. Ik was misschien wat naïef daarin, dat ik de mensen te snel geloofde of dat ik hen teveel erop attent gemaakt heb dat er mogelijk bepaalde aftrekposten op hen van toepassing waren. Waarbij ik dan vervolgens niet kritisch genoeg was om te vragen of ze die kosten wel echt gemaakt hadden.
  • Het is wel zo dat ik soms naar aanleiding van wat mensen zeiden vrij snel concludeerde dat ze voor een bepaalde aftrek in aanmerking kwamen. Als iemand tegen mij zei dat hij last had van hoge bloeddruk, dan voerde ik meteen een dieet op, zonder verder te vragen of hij op doktersvoorschrift een dieet moest volgen. Hetzelfde als iemand zei dat hij last had van hoge cholesterol. Ik bepaalde/berekende deze bedragen door middel van schatting. Ik vroeg bijvoorbeeld met welke frequentie zij een dokter bezochten en waar. Aan de hand daarvan maakte ik dan een schatting van de reiskosten. Ook van medicijngebruik had niet iedereen een overzicht bij zich; dan vroeg ik aan de mensen zelf hoeveel zij hadden uitgegeven. Ik nam dan het bedrag over.
  • Ik was ook wel vrij makkelijk in het opvoeren van aftrekposten, zoals ik hiervoor al aangaf met het opvoeren van diëten. Dit deed ik ook als ik bijvoorbeeld hoorde dat iemand psoriasis had. Ik weet dat je dan vette zalf moet gebruiken en daarvan worden je kleren en beddengoed vuil. Daarom voerde ik dan een aftrek voor extra kleding en beddengoed op.

Uit deze verklaring volgt voor de rechtbank dat de verdachte bij herhaling kennelijk aan een half woord genoeg had om buitengewone lasten op te voeren en niet om bewijs vroeg. Uit het dossier blijkt dat de verdachte dusdanig hoge kosten opnam in de aangiften dat zijn cliënten in aanmerking kwamen voor een teruggave wegens buitengewone lasten, na aftrek van de drempel. Ook wordt duidelijk dat de verdachte naar eigen inzicht buitengewone aftrekposten opvoerde zelfs zónder dat de klant daarvan enige melding maakte. Dat laat de conclusie toe dat de verdachte gewoon kosten uit zijn duim zoog en zo de aangiften dusdanig manipuleerde dat zijn cliënten forse bedragen terugkregen van de belasting.

Daarmee heeft de verdachte met opzet valse informatie in de aangiftebiljetten gezet, ofwel in de volle wetenschap van die onjuistheid of anders in de vorm van het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat hij onwaarheden in de aangifte zette. Door zo te werk te gaan moet de verdachte immers beslist geweten hebben dat het (zeer) onwaarschijnlijk was dat de door hem opgevoerde posten door zijn klanten konden worden gestaafd met relevante bewijsstukken, als de belastingdienst daarom vroeg. Deze werkwijze gaat voor de rechtbank daarom verder dan alleen het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften: het levert valsheid in geschrift op.

De verklaring laat ook zien dat de stelling van de verdachte ter terechtzitting, zoals verwoord door zijn raadsvrouw, dat hij nooit vermoed heeft dat de (opgevoerde aftrekposten in de) aangiften onjuist waren en dat er dus in het geheel geen sprake is geweest van opzet, niet geloofwaardig is.

Dit oordeel van de rechtbank wordt niet anders als zij meeweegt dat twee betrokken belastingplichtigen, medeverdachte 3 en medeverdachte 5, hebben verklaard dat zij juist wel bewijsstukken moesten laten zien aan de verdachte. Uit hun verklaringen blijkt namelijk dat zij deze stukken niet of maar nauwelijks hadden en ook voor hen geldt dat de verdachte na een half woord of geheel zonder aanleiding kosten bij hen opvoerde.

Een groot aantal?

De verdachte heeft verklaard dat hij voor veel klanten de belastingaangifte heeft verzorgd. Zelf noemt de verdachte een aantal van 400 klanten. Omdat de aangiften bij de Belastingdienst digitaal werden ingezonden, heeft de Belastingdienst uitgezocht hoeveel aangiften zijn verstuurd vanaf de IP-adressen die de verdachte gebruikte.

De Belastingdienst heeft 23 aangiften onderzocht die door de verdachte waren ingevuld. Ten aanzien daarvan kon de fiscus vaststellen dat er te weinig belasting was betaald; waaronder de 18 aangiften van de hiervoor genoemde personen.

In het dossier wordt vervolgens een aantal van 1745 aangiften berekend over de periode vanaf 20 januari 2011 tot en met 7 september 2012. Vervolgens heeft de Belastingdienst steekproefsgewijs onderzocht of er sprake was van persoonsgebonden aftrek (elke 25ste aangifte). In 93 procent van de onderzochte aangiften was deze aftrek opgevoerd, hoofdzakelijk vanwege zorgkosten.

De officier van justitie heeft het aantal aangiften bijgesteld naar 1054, omdat de FIOD uitging van een langere periode dan uiteindelijk ten laste is gelegd.

De rechtbank concludeert hieruit, gelet op het zeer hoge percentage aangiften waarin door de verdachte buitengewone lasten werden opgevoerd alleen al in de jaren 2011 en 2012, dat het plegen van valsheid in geschrift zich heeft voorgedaan met betrekking tot een groot aantal aangiften. Zij acht aannemelijk dat er, naast de 18 aangiften van de vier met name genoemde personen, wat ook al een substantieel aantal oplevert, nog meer valse aangiften moeten zijn geweest. Dat volgt ook uit de verklaring van de verdachte, nu daaruit blijkt dat zijn werkwijze niet alleen betrekking had op deze vier klanten, maar door hem in het algemeen werd gebezigd. Het aantal van 1054 valt niet te bewijzen, omdat deze aangiften niet in extenso zijn onderzocht, maar dat staat aan een bewezenverklaring van het bestanddeel “een groot aantal” niet in de weg.

Medeplegen?

De vervolgvraag is of er sprake is geweest van medeplegen van de valsheid in geschrift door de betrokken belastingplichtigen voor wie de verdachte de aangifte verzorgde. De rechtbank overweegt als volgt.

De hiervoor genoemde vier personen ontvingen flinke bedragen terug van de fiscus ter zake van buitengewone lasten, terwijl zij reeds bij het doen van de aangifte niet of nauwelijks over onderbouwende stukken beschikten. Allen hebben verklaard dat de verdachte hen vertelde welke bedragen zij terugkregen, toen zij bij hem waren. Geen van hen heeft vervolgens op enig moment op enige manier navraag gedaan of de door hen ontvangen definitieve aanslagen klopten. Uit de verklaring van medeverdachte 4 maakt de rechtbank op dat deze wel wist in algemene zin dat je bij de fiscus bewijs moet aanleveren. Medeverdachte nam vervolgens snel genoegen met de stelling van de verdachte dat daar niet naar gevraagd zou worden. Verder viel het Medeverdachte kennelijk op dat hij veel geld terugkreeg.

Door jaar na jaar zo gemakzuchtig te profiteren van de werkwijze van de verdachte, zonder op enig moment ook maar geprobeerd te hebben na te gaan of zijn aangiften wel juist waren, heeft Medeverdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn aangiften onjuistheden bevatten. Daarmee heeft Medeverdachte derhalve opzet gehad op het (samen met de verdachte) opmaken van valse geschriften.

Dat geldt ook voor medeverdachte 3 en medeverdachte 5. Zij hebben verklaard dat ze rekeningen aan de verdachte moesten laten zien van ziektekosten, als zij die hadden. Zij wisten echter dat zij die bewijsstukken niet of nauwelijks hadden. Medeverdachte 3 heeft immers verklaard dat zij in het geheel geen bewijsstukken had. Medeverdachte 5 heeft verklaard dat hij slechts een paar bonnetjes had met kleine bedragen en heeft weleens aan de verdachte gevraagd hoe het kon dat hij zoveel terug kreeg. Dat betekent dat ook zij jaar na jaar grote bedragen terug kregen zonder daar nadere vragen over te stellen bij de Belastingdienst of in elk geval iemand anders dan de verdachte.

Voor een bewezenverklaring van het medeplegen is nodig dat uit de bewijsmiddelen blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de personen voor wie hij de belastingaangiften invulde. Uit de hiervoor weergegeven verklaringen van die personen volgt dat zij met hun gedrag en houding ten aanzien van het doen invullen van hun aangiften door de verdachte de aanmerkelijke kans hebben genomen dat deze aangiften onjuist werden ingevuld, hetgeen uiteindelijk ook daadwerkelijk het geval was. Zij kunnen daarmee eveneens als plegers van de betreffende feiten worden gezien. Dit alles brengt mee dat de rechtbank ook het medeplegen bewezen zal verklaren.

Partiële vrijspraak

Tot slot overweegt de rechtbank dat niet bewezen kan worden dat de verdachte valse belastingaangiften heeft opgemaakt voor medeverdachte X. Van de aangiften van medeverdachte X heeft de rechtbank niet met zekerheid kunnen vaststellen dat deze met opzet onjuist zijn ingevuld door de verdachte. Verdachte heeft dit nadrukkelijk ontkend en aangevoerd dat hij ten aanzien van deze klant over bewijsstukken beschikte, hetgeen door de echtgenote van medeverdachte X in elk geval gedeeltelijk is bevestigd. Zij heeft immers verklaard dat de specifieke zorgkosten uit de aangiften ook daadwerkelijk door haar en haar man waren gemaakt, alsmede dat zij de verdachte, zij het niet altijd, bonnen heeft laten zien. Verder heeft zij verklaard dat zij op verzoek van de Belastingdienst alsnog relevante bewijsstukken ter onderbouwing van de aangiften heeft overgelegd aan de Belastingdienst.

Weliswaar heeft de Belastingdienst de aangiften gecorrigeerd, maar de familie van medeverdachte X kwam in aanmerking voor een aftrek van buitengewone lasten in elk geval over de jaren 2007, 2008 en 2009. De enkele omstandigheid dat er correcties zijn toegepast is onvoldoende om opzet bij de verdachte aan te nemen. Op dit onderdeel zal de rechtbank de verdachte dan ook vrijspreken.

Bewezenverklaring

Feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Feit 2 primair: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd onthoudt van het verzorgen van belastingaangiften/aanvragen voor derden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF