Verdachte heeft ervoor gezorgd dat zijn bedrijf, een administratiekantoor, te weinig omzetbelasting heeft afgedragen. Met zijn andere bedrijf heeft hij ruim 1 miljoen euro uit een erfenis verduisterd.

Rechtbank Rotterdam 28 mei 2018, ECLI:NL:RBROT:2018:4126

Verdachte heeft ervoor gezorgd dat zijn bedrijf, nota bene een administratiekantoor, gedurende twee jaar lang te weinig omzetbelasting heeft afgedragen. Totaal gaat het om een bedrag van ongeveer €150.000,-. Met zijn andere bedrijf heeft hij ruim 1,1 miljoen euro uit een erfenis verduisterd. Op de verklaring van verdachte na is er geen enkele reden om te denken dat verdachte met die verduistering zou zijn gestopt en het geld aan de rechthebbenden had doen toekomen als de FIOD niet had geïntervenieerd.
 

Start van het onderzoek

De verdediging heeft over de start van het onderzoek geklaagd. Er zijn signalen geweest (en besproken met de politie) dat verdachte geld achterover drukte en er zou dus al een verdenking zijn geweest toen het boekenonderzoek door de Belastingdienst (hierna: BD) werd gestart. Door verdachte te laten meewerken aan het boekenonderzoek zonder hem de strafrechtelijke waarborgen te gunnen die hem toekwamen omdat er – in de visie van de verdediging – al sprake was van een verdenking, zouden de rechten van verdachte zijn omzeild.

De rechtbank ziet dat anders. Uit het dossier blijkt niet van meer ‘signalen’ dan de meldingen van (voormalig) medewerker naam voormalig medewerker. Naam medewerker belastingdienst, een medewerker van de BD, heeft in verband met die signalen contact gehad met de politie om te vragen of er een strafrechtelijk onderzoek gaande was of zou worden gestart naar verdachte en zijn bedrijven. Daarop was het antwoord ‘nee’. Kennelijk waren de signalen die er waren daarvoor niet voldoende. Dat die signalen wel voldoende waren om een boekenonderzoek te starten, een onderzoek waartoe de BD zonder meer was gerechtigd, is niet relevant voor de beoordeling van het (dus niet gestarte) strafrechtelijke traject. De meldingen van naam voormalig medewerker zijn onvoldoende om te spreken van een verdenking; het informeren bij de politie door de BD maakt dat niet anders.

Naar het oordeel van de rechtbank was er dus (nog) geen sprake van een verdenking toen het boekenonderzoek werd gestart. Het verweer – dat kennelijk de conclusie zou moeten dragen – dat de start van het opsporingsonderzoek onrechtmatig was, wordt daarom verworpen.

Het ter zitting herhaalde verzoek om over de start van het onderzoek getuigen te horen, wordt gelet hierop niet gehonoreerd. De rechtbank acht de verzochte verhoren niet noodzakelijk.

Beoordeling rechtbank
 

Feit 1

Verdachte is bestuurder van naam verdachte rechtspersoon 1 Blijkens het boekenonderzoek van de BD is de aangifte omzetbelasting van naam verdachte rechtspersoon 1 in 2010 en 2011 in totaal zesmaal onjuist gedaan, waardoor telkens te weinig belasting is geheven. De raadsman meent dat het boekenonderzoek onvolledig is weergegeven in het dossier, omdat de onderliggende stukken (de facturen waarop de administratie van naam verdachte rechtspersoon 1 is gebaseerd) daaraan niet zijn toegevoegd.

De berekeningen in het dossier zijn gebaseerd op grootboekberekeningen die niet handmatig zijn gecontroleerd aan de hand van de onderliggende facturen. Hij acht dat een verzuim van de officier van justitie: het Openbaar Ministerie dient een volledig dossier met daarin een goed onderbouwd onderzoek voor te leggen aan de rechtbank, zo heeft de raadsman aangevoerd.

De rechtbank wijst erop dat in ambtshandelingen 1B en 21 staat beschreven hoe de berekeningen zijn gemaakt. De berekeningen zijn gebaseerd op de administratie van naam verdachte rechtspersoon 1, waarin de facturen zijn verwerkt. Alle onderliggende stukken stonden de raadsman ter beschikking, maar daar is geen gebruik van gemaakt.
De rechtbank ziet geen enkele reden om aan te nemen dat de facturen niet juist in de administratie zouden zijn verwerkt. Zij gaat daarom uit van de op de administratie gebaseerde berekeningen in het boekenonderzoek.

Uit het dossier blijkt verder dat verdachte zijn werknemers opdracht gaf de aangiften van naam verdachte rechtspersoon 1 op bepaalde wijze in te vullen. Verdachte heeft dat zelf ook verklaard.

Door het handelen van verdachte, welk handelen zonder meer aan naam verdachte rechtspersoon 1 is toe te rekenen, is in zes van de in totaal acht aangiften over de onderzochte twee jaar – dus structureel – onjuist aangifte voor de omzetbelasting gedaan. Telkens is daardoor te weinig belasting geheven. Naam verdachte rechtspersoon 1 heeft daardoor telkens een groot bedrag “bespaard”. Het is volstrekt onaannemelijk dat verdachte dat zesmaal per ongeluk verkeerd heeft gedaan. De verklaring van verdachte dat het een heftige periode in zijn leven was en hij veel spanningen ervoer vanwege onder meer het overlijden van zijn ouders en zus, doet daar niet aan af. Voor een deel van de aangiften geldt dat die aan deze overlijdensgevallen voorafgingen. Voor het overige zijn de spanningen evenmin een excuus, zeker gezien de professie van verdachte. Op de vraag hoe het kan dat die aangiften ook onjuist waren, heeft verdachte ter zitting verklaard: “dat weet ik niet meer”.

Ook de verklaring van verdachte dat de facturen op onjuiste wijze zouden zijn doorgeboekt in de boekhouding acht de rechtbank ongeloofwaardig. Als het al zo zou zijn dat verdachte de facturen in een ander programma maakte dan het boekhoudprogramma, zodat het doorboeken niet automatisch ging, zoals hij heeft verklaard, is in ieder geval ongeloofwaardig dat dat in zes van de acht kwartalen fout zou zijn gegaan. Bovendien had verdachte als professionele boekhouder, die ook zijn eigen bedrijf kent en weet welke omzet er wordt gerealiseerd, een dergelijke fout steeds zonder meer moeten opmerken.

De rechtbank oordeelt dat het niet anders kan dan dat verdachte de aangiften opzettelijk onjuist heeft laten invullen en acht daarom bewezen dat hij opdracht heeft gegeven tot fiscale fraude zoals onder 1 is ten laste gelegd.
 

Feit 2

Op 12 januari 2006 is een overeenkomst gesloten tussen naam verdachte rechtspersoon 2 en mevrouw naam. Het ging om een lening van 1,1 miljoen euro met een looptijd van vijf jaren en rente van 3,25% per jaar. De lening zou dus moeten zijn terugbetaald op 12 januari 2011.

Mevrouw naam is op 7 maart 2007 overleden. Verdachte is blijkens het testament door haar aangewezen als executeur testamentair. De erfgenamen van mevrouw naam zijn zes goede doelen. Diezelfde goede doelen hebben zich in deze zaak als benadeelde partij gesteld, zowel – op één na – door middel van een eigen vordering als – indirect – via een vordering die door de later door de rechtbank benoemde vereffenaar van de erfenis in ingediend.

Verdachte had de erfgenamen al in 2007 moeten inlichten over het overlijden van mevrouw naam en de erfenis die hen toekwam. Die erfenis bestond grotendeels uit een op dat moment niet opeisbare vordering op naam verdachte rechtspersoon 2, een bedrijf van verdachte. Verdachte is daar ook op gewezen door de notaris. Die heeft verdachte op
21 november 2007 per mail meegedeeld dat hij de erfgenamen zou inlichten als verdachte dat niet snel zou doen.

In het dossier zitten brieven, afkomstig van verdachte, gericht aan de zes goede doelen, die zijn gedateerd op 2 november 2007 en die inhouden dat mevrouw naam is overleden en dat verdachte bezig is met de afwikkeling van de nalatenschap. Die brieven of kopieën daarvan hebben de notaris bereikt, maar zijn niet aan de goede doelen gezonden. De goede doelen zijn dus ook toen niet op de hoogte gesteld van het overlijden van mevrouw naam en de hun toekomende erfenis, terwijl bij de notaris de indruk was gewekt dat de erven wel waren geïnformeerd.

Verdachte heeft conform de leenovereenkomst grote geldbedragen overgeboekt van de rekeningen van mevrouw naam en haar overleden echtgenoot naar rekeningen van naam verdachte rechtspersoon 2 Dat gaat om een totaalbedrag van €1.097.166,60. Nadat de looptijd van de leenovereenkomst was verstreken, is verdachte daarmee doorgegaan. Zo is op
9 maart 2011 en 19 januari 2012 in totaal nog eens €22.000, overgemaakt. Overigens blijkt uit de bankafschriften van de rekeningen van mevrouw naam en haar overleden echtgenoot dat ook naar de persoonlijke rekening(en) van verdachte en de rekening(en) van naam verdachte rechtspersoon 1 bedragen zijn overgemaakt, maar dat is niet ten laste gelegd.

De rechtbank ziet zich ten aanzien van dit feit voor de vraag gesteld of verdachte de gelden die aan naam verdachte rechtspersoon 2 zijn overgemaakt (en) na het verstrijken van de looptijd (niet zijn teruggeboekt) door verdachte en naam verdachte rechtspersoon 2 zijn verduisterd.

Verdachte meent van niet, omdat hij door het opnemen van de gelden in de administratie van naam verdachte rechtspersoon 2 inzichtelijk zou hebben gemaakt dat het om een lening ging. Bovendien heeft hij verklaard dat de lening stilzwijgend is verlengd. Kennelijk denkt verdachte dat geen sprake is van verduistering als ‘ergens staat’ dat het betreffende van iemand anders is. Zijn raadsman heeft daaraan toegevoegd dat het niet inlichten van de erfgenamen verdachte misschien tot een slechte executeur testamentair maakt, maar dat daar geen strafrechtelijke gevolgen aan kunnen worden verbonden: “dat maakt nog niet dat verdachte de geldbedragen zich heeft toegeëigend”, aldus de raadsman.

De rechtbank komt tot een ander oordeel.

Verdachte had de erfgenamen moeten inlichten. Zij konden immers slechts door een mededeling van de notaris of van verdachte als executeur testamentair er van op de hoogte komen dat zij erfgenaam waren. Verdachte heeft tegenover de notaris in 2007 de indruk gewekt dat hij de erfgenamen op de hoogte had gesteld, zodat de notaris de erfgenamen niet heeft aangeschreven. Ook op 12 januari 2011, toen de looptijd van de leenovereenkomst was verstreken en de vordering van de gezamenlijke erfgenamen op naam verdachte rechtspersoon 2 opeisbaar werd, heeft hij de erfgenamen nog steeds niet geïnformeerd. Daardoor heeft hij het de erfgenamen onmogelijk gemaakt het hen toekomende deel van de erfenis op te eisen. Door dit alles heeft verdachte naam verdachte rechtspersoon 2 in staat gesteld het geld onder zich te houden. Daarmee heeft hij substantieel bijgedragen aan het wederrechtelijk toe-eigenen van het geld door naam verdachte rechtspersoon 2 Dat geldt zowel voor de vordering die opeisbaar werd op
12 januari 2011 als voor de bedragen die daarna nog zijn overgeboekt naar de rekeningen van naam verdachte rechtspersoon 2

Ten aanzien van de toerekening aan de rechtspersoon naam verdachte rechtspersoon 2 overweegt de rechtbank dat de gedragingen (mede) zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.

De leenovereenkomst was gesloten tussen mevrouw naam en naam verdachte rechtspersoon 2 Verdachte heeft de leenovereenkomst in zijn hoedanigheid als directeur van naam verdachte rechtspersoon 2 getekend en heeft de bedragen naar rekeningen van naam verdachte rechtspersoon 2 overgeboekt. De gelden zijn door naam verdachte rechtspersoon 2 benut voor investeringen in onroerend goed. Dat de lening niet hoefde te worden terugbetaald na het verstrijken van de looptijd omdat de rechthebbenden op het geld niet op de hoogte waren van het bestaan ervan, is aan naam verdachte rechtspersoon 2 ten goede gekomen. Het geld kón op dat moment vanwege de penibele financiële positie van het bedrijf van verdachte immers niet worden terugbetaald.

Al met al is dit voor de rechtbank voldoende om te concluderen dat verdachte en naam verdachte rechtspersoon 2 het totaalbedrag van €1.119.166,60 samen hebben verduisterd. Zij acht feit 2 bewezen.


Bewezenverklaring

  • Feit 1: opdracht geven tot opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en begaan door een rechtspersoon;
     
  • Feit 2: medeplegen van verduistering.

 

Strafoplegging

De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF