Veertig maanden gevangenisstraf voor woonbemiddelaar die op naam van woningzoekenden kredieten en leaseauto's aanvraagt

Rechtbank Den Haag 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19093

De rechtbank Den Haag veroordeelt een man tot een gevangenisstraf van veertig maanden voor oplichting van kredietverstrekkers, een creditcardmaatschappij en een leasemaatschappij. Hij benadert particulieren als woonbemiddelaar en gebruikt de persoonsgegevens en financiële stukken die zij hem verstrekken zonder hun toestemming voor kredieten, creditcards en leaseauto's. Bij die aanvragen maakt hij gebruik van vervalste loonspecificaties, bankafschriften, jaarrekeningen en identiteitsbewijzen. Twaalf particulieren blijven achter met schulden, aanmaningen en BKR-registraties, terwijl de rechtspersonen voor ruim € 125.000 zijn benadeeld. De rechtbank acht daarnaast het voorhanden hebben van een gaspistool met munitie bewezen en spreekt vrij van medeplegen. Bij de straftoemeting houdt zij rekening met artikel 63 Sr en met een eerdere onherroepelijke veroordeling tot 52 maanden gevangenisstraf voor soortgelijke feiten.

Inleiding en context

De zaak betreft een natuurlijke persoon, geboren in 1986, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en ten tijde van de uitspraak gedetineerd. De behandeling vindt plaats in eerste aanleg bij de meervoudige kamer, op tegenspraak, op de terechtzitting van 22 juni 2026.

Tussen januari 2023 en mei 2024 doen diverse rechtspersonen, waaronder financiële instellingen, en een reeks particulieren aangifte van oplichting, valsheid in geschrift en identiteitsfraude tegen een bedrijf en de verdachte als eigenaar daarvan. De verdachte treedt op als woonbemiddelaar en komt in die hoedanigheid in contact met woningzoekenden, die hem op zijn verzoek persoonsgegevens en financiële informatie verstrekken. Kort daarna worden die gegevens gebruikt voor het aanvragen van financiële producten. De verdachte ontkent iedere betrokkenheid en stelt uitsluitend te hebben bemiddeld bij het vinden van woonruimte.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij vijf rechtspersonen heeft opgelicht door op naam van particulieren kredieten, kredietlimieten, geldbedragen en leasevoertuigen te verkrijgen, in de periode van 4 januari 2023 tot en met 29 november 2024 (feit 1, artikel 326 Sr). Feit 2 ziet op valsheid in geschrift in de periode van 1 januari 2022 tot en met 3 december 2024, primair door de geschriften zelf valselijk op te maken of te vervalsen, subsidiair door gebruik te maken van die vervalste geschriften (artikel 225 Sr). Feit 3 betreft het opzettelijk en wederrechtelijk gebruiken van identificerende persoonsgegevens van twaalf natuurlijke personen met het oogmerk de identiteit van een ander te misbruiken (artikel 231b Sr), over dezelfde periode. Feit 4 ziet op het op 3 december 2024 te Zoetermeer voorhanden hebben van een gaspistool van categorie III met bijbehorende munitie (artikelen 26 en 55 WWM). De feiten 1 tot en met 3 zijn ook als medeplegen ten laste gelegd. De tenlastelegging is op de terechtzitting van 22 juni 2026 gewijzigd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie rekwireert tot vrijspraak van het onder 2 primair tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van de feiten 1, 2 subsidiair, 3 en 4. Gevorderd wordt een gevangenisstraf van vierenveertig maanden met aftrek van voorarrest, rekening houdend met artikel 63 Sr. Ten aanzien van het beslag vordert de officier van justitie teruggave aan de verdachte van de onder 1, 2 en 3 op de beslaglijst genoemde voorwerpen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw bepleit vrijspraak van de feiten 1, 2 en 3 en refereert zich ten aanzien van feit 4 aan het oordeel van de rechtbank. Zij voert aan dat bij een van de aangevers geen voorafgaand contact met de verdachte heeft bestaan, zodat van een eenduidige modus operandi geen sprake is. Verder betoogt zij dat de verklaringen van de aangevers tegenstrijdigheden bevatten en daarom bewijskracht ontberen, mede omdat de aangevers elkaar kennen. Aan de hand van overgelegde kopieën van vliegtickets stelt de verdediging dat de verdachte gedurende de tenlastegelegde periode deels in het buitenland verbleef. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de verdediging geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan het reeds ondergane voorarrest, aangevuld met een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen een consistent en terugkerend handelingspatroon vast. De verdachte komt als woonbemiddelaar in contact met woningzoekenden, die hem persoonsgegevens en financiële informatie verstrekken. Die gegevens worden kort daarna zonder toestemming gebruikt voor het openen van bankrekeningen en het aanvragen van kredieten, leningen, creditcards en leaseovereenkomsten, waarbij vervalste inkomensgegevens en loonstroken worden ingediend. De betrokkenen worden vervolgens geconfronteerd met betalingsachterstanden, aanmaningen, boetes en BKR-registraties.

Dat patroon is naar het oordeel van de rechtbank aan de verdachte te koppelen. Bij aanvragen zijn adressen gebruikt die herleidbaar zijn tot de verdachte en zijn directe omgeving. Hij is meermalen herkend op foto's en selfies die bij aanvragen zijn gebruikt, terwijl op vervalste identiteitsdocumenten van twee aangevers foto's van de verdachte zijn aangetroffen. Ook zijn partner is herkend op vergelijkbare beelden en documenten. Bij telefonische verificaties door financiële instellingen is herhaaldelijk gebruikgemaakt van een aan de verdachte te koppelen telefoonnummer. In zijn woning zijn bankpassen aangetroffen, hij is herkend op camerabeelden van geldopnames met creditcards op naam van een aangever en bij een autodealer bij het ophalen van een leasevoertuig op naam van een andere aangever, waarbij in een woning passende autosleutels zijn aangetroffen. Een aangever herkent hem als bestuurder van een voertuig.

Het verweer over de afwijkende gang van zaken bij een van de aangevers verwerpt de rechtbank. Dat deze aangever de verdachte niet kent en voorafgaand aan de frauduleuze handelingen geen contact met hem heeft gehad, betekent niet dat van een consistent handelingspatroon geen sprake meer is. Ook op naam van deze aangever is een krediet afgesloten en zijn kredietaanvragen gedaan met vervalste bankafschriften, salarisspecificaties en een vervalst paspoort, waarbij de persoon op de selfie en de pasfoto in dat paspoort als de verdachte zijn herkend. Ook deze aangever heeft documenten aan een makelaar verstrekt in verband met een huurwoning.

De rechtbank acht de aangiften betrouwbaar. Aangevers verklaren in grote lijnen overeenkomstig en het is niet waarschijnlijk dat meerdere aangevers in strijd met de waarheid een gelijksoortige verklaring afleggen. De enkele bewering dat zij elkaar kennen is onvoldoende. Het beeld uit de aangiften wordt door overig bewijs ondersteund en de meeste aangevers hebben zelf geen voordeel gehad van de kredieten of leaseovereenkomsten; op hun naam zijn enkel schulden gemaakt.

De verklaring van de verdachte laat de rechtbank buiten beschouwing. Hij geeft geen verklaring voor het bezit van bankpassen op naam van twee slachtoffers en evenmin voor de omstandigheid dat de overeenkomsten niet op de adressen van de slachtoffers werden gesloten, maar op adressen waar hij de post kon ontvangen. Zijn verklaring is onvoldoende concreet en in het licht van het dossier ongeloofwaardig.

Het verblijf in het buitenland acht de rechtbank niet relevant. Uit de overgelegde kopieën van vliegtickets kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld op welke data de verdachte in Nederland dan wel in Canada verbleef. Verblijf in Nederland is bovendien geen noodzakelijke voorwaarde voor het plegen van de feiten, omdat de aanvragen en de verstrekking van documenten doorgaans digitaal en op afstand zijn ingediend. De feiten zijn in Nederland gepleegd, nu de overeenkomsten met in Nederland gevestigde rechtspersonen zijn gesloten en de persoonsgegevens in Nederland zijn gebruikt.

Ten aanzien van feit 1 oordeelt de rechtbank dat de verdachte door een samenweefsel van verdichtsels, listige kunstgrepen en het aannemen van een valse naam bij de rechtspersonen een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen, waardoor deze zijn bewogen tot afgifte van kredieten, creditcards of leaseauto's. Daarbij weegt zij mee dat de verdachte telkens beschikt over valse loonspecificaties, bankafschriften, jaarrekeningen en identiteitsdocumenten.

Ten aanzien van feit 2 komt de rechtbank, anders dan de officier van justitie, tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde. Redelijkerwijs kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de verdachte de documenten zelf heeft vervalst. Concrete aanwijzingen dat een ander de vervalsingen heeft vervaardigd ontbreken. De documenten bevatten specifiek aan de verdachte te linken informatie, zoals voormalige woonadressen van hemzelf, zijn partner en zijn ouders, en foto's van de verdachte en zijn vrouw. Uit de bewijsmiddelen volgt bovendien dat de verdachte als auteur van een vervalst pdf-bestand kan worden aangemerkt. Het oogmerk ligt besloten in zijn handelen.

Ten aanzien van feit 3 stelt de rechtbank vast dat de verdachte onbevoegd de namen en gegevens van twaalf natuurlijke personen heeft gebruikt bij het aanvragen van kredieten en kredietlimieten, betaalpassen en creditcards, het afsluiten van huur- en leasecontracten en het aanschaffen van goederen.

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank dat in de schuur bij de woning een gasdrukpistool is aangetroffen en de bijbehorende munitie in een cv-ketelkast in de slaapkamer waar de verdachte sliep. De eerst ter terechtzitting afgelegde verklaring dat een van zijn kinderen het wapen op school zou hebben gekocht, acht de rechtbank niet geloofwaardig: een dergelijke verklaring had eerder voor de hand gelegen en is niet met stukken onderbouwd. De wetenschap van de verdachte leidt de rechtbank onder meer af uit zijn antwoord in het politieverhoor op een vraag over het vuurwapen: "het is geen vuurwapen". De verdachte heeft de feitelijke macht over wapen en munitie kunnen uitoefenen.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het medeplegen bij de feiten 1, 2 en 3 niet bewezen. Van dat onderdeel volgt partiële vrijspraak.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen:

  • feit 1: oplichting, meermalen gepleegd, in de periode van 4 januari 2023 tot en met 29 november 2024 in Nederland, waarbij vijf rechtspersonen zijn bewogen tot afgifte van kredieten, kredietlimieten, geldbedragen en leasevoertuigen door het openen van rekeningen en het aanvragen van creditcards en betaalpassen op naam van anderen, het valselijk opmaken van identiteitsbewijzen, bankafschriften, salarisspecificaties en jaarrekeningen, het verstrekken daarvan als echt en onvervalst en het zich voordoen als die anderen;

  • feit 2 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, in de periode van 1 januari 2022 tot en met 3 december 2024, door identiteitsbewijzen, bankafschriften, salarisspecificaties, jaarrekeningen en andere geschriften op naam van tien personen valselijk op te maken en te vervalsen met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken;

  • feit 3: het opzettelijk en wederrechtelijk gebruiken van identificerende persoonsgegevens van twaalf anderen, meermalen gepleegd, in dezelfde periode, met het oogmerk zijn identiteit te verhelen en de identiteit van een ander te misbruiken, waardoor nadeel kon ontstaan;

  • feit 4: het op 3 december 2024 te Zoetermeer voorhanden hebben van een gaspistool van het merk Walther, model P22, kaliber 9 mm Knall, en van 50 stuks munitie van het merk Skullfire, kaliber 9 mm Knall.

Van het onderdeel medeplegen bij de feiten 1, 2 en 3 wordt de verdachte vrijgesproken, evenals van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op van veertig maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voor een voorwaardelijk strafdeel ziet zij geen aanleiding.

In de strafmotivering weegt de rechtbank zwaar mee dat de verdachte gedurende een lange periode op grote schaal heeft opgelicht en identiteitsfraude heeft gepleegd, waarbij zowel rechtspersonen als particulieren slachtoffer zijn geworden. De rechtspersonen zijn voor ruim € 125.000 opgelicht. De verdachte heeft misbruik gemaakt van het vertrouwen van de betrokkenen, aan wie hij bemiddeling bij het vinden van woonruimte had toegezegd. Die woonruimte is er niet gekomen. Naast financiële gevolgen heeft zijn handelen geleid tot onzekerheid, frustratie en aantasting van het gevoel van veiligheid en vertrouwen, terwijl slachtoffers van identiteitsfraude nog geruime tijd met de gevolgen kunnen worden geconfronteerd. Daarnaast heeft de verdachte het vertrouwen geschaad dat financiële instellingen en andere ondernemingen moeten kunnen stellen in de juistheid van aangeleverde gegevens en documenten. Het voorhanden hebben van een gaspistool brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen mee.

De rechtbank neemt kennis van het strafblad van 13 mei 2026, waaruit volgt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld tot langdurige gevangenisstraffen voor soortgelijke feiten, laatstelijk tot 52 maanden bij arrest van de Hoge Raad van 22 april 2025, nadat het gerechtshof Den Haag op 20 december 2022 54 maanden had opgelegd. Al tijdens die procedure bij het hof is de verdachte opnieuw de fout ingegaan. Het reclasseringsadvies van 28 februari 2025 onthoudt zich van een advies over bijzondere voorwaarden en het recidiverisico. Persoonlijke omstandigheden die strafverminderend werken zijn er niet.

Voor de feiten 1 tot en met 3 bestaan geen landelijke oriëntatiepunten; de rechtbank neemt per feit twaalf maanden tot uitgangspunt, gelet op de ernst, de schaal en de lange pleegperiode. Voor feit 4 geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. De meerdaadse samenloop weegt de rechtbank strafverhogend, de samenhang tussen de feiten 1 tot en met 3 enigszins strafmatigend. Op grond van artikel 63 Sr geldt, gelet op de eerder opgelegde 52 maanden, een strafplafond van vierenveertig maanden. De rechtbank kent aan artikel 63 Sr beperkte betekenis toe gezien de ernst van de feiten en de herhaling, maar wel iets zwaardere betekenis dan de officier van justitie, wat mede de reden is dat de opgelegde straf vier maanden lager uitvalt dan geëist.

Acht benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd. De rechtbank stelt vast dat de verdachte onrechtmatig heeft gehandeld en wijst toe: € 240 aan Alfam Holding N.V., € 4.930,97 aan International Card Services B.V., € 126,90 en € 126,91 aan twee particuliere benadeelde partijen, € 168 aan een derde particuliere benadeelde partij en € 27.173,84 aan De Volksbank N.V., telkens te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2026. Bij gebreke van voldoende concrete aanknopingspunten voor de datum waarop de schade is geleden, gaat de rente in op de dag van de uitspraak. Voor het overige zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk, omdat een wettelijke basis ontbreekt, onvoldoende is gesteld of de hoogte van de schade onvoldoende vaststaat, terwijl nadere vaststelling een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. Dat deel kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. De proceskosten worden telkens begroot op nihil. De motivering per schadepost is opgenomen in een aan het vonnis gehechte tabel, die in de gepubliceerde tekst niet is opgenomen.

De schadevergoedingsmaatregel wordt uitsluitend opgelegd ten behoeve van de natuurlijke personen, telkens met vervangende gijzeling van één dag. Van de gedupeerde rechtspersonen neemt de rechtbank aan dat zij deze schade als bedrijfsrisico dragen als verhaal op de verdachte niet mogelijk is. De rechtbank gelast de teruggave aan de verdachte van de onder 1, 2 en 3 op de beslaglijst genoemde voorwerpen, te weten een MacBook Air A2681, een iPad A2602 en een paarse iPhone.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^