Valsheid in geschrift: Bewijsbestemming van een rapport dat een onderzoeksrapport van een particulier recherchebureau moest voorstellen

Hoge Raad 21 november 2017, ECLI:NL:HR:2017:2958

De verdachte is bij arrest van 22 januari 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, in de zaak met parketnummer 16-712257-11 wegens onder 1 primair “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd”, onder 2 en 3 primair “telkens: de voortgezette handeling van valsheid in geschrift en opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst” en onder 5 “belaging” en in de zaak met parketnummer 16-661395-13 wegens onder 1 “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd”, onder 2 “oplichting” en onder 4 “belaging”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. 
 

Middel

Het middel klaagt dat het in de zaak met parketnummer 16-712257-11 onder 2 bewezenverklaarde feit onvoldoende met redenen is omkleed, nu “de bewijsbestemming van een schriftelijk stuk dat een onderzoeksrapport van [A] moest voorstellen, vanwege talrijke taalkundige gebreken c.q. tekortkomingen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en/of het hof het door de raadsvrouwe van verzoeker gevoerd bewijsbestemmingsverweer heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen”.
 

Beoordeling Hoge Raad

De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende woorden "bestemd (...) om tot bewijs van enig feit te dienen" zijn daarin klaarblijkelijk gebezigd in de betekenis die daaraan toekomt in art. 225 Sr. In dat verband is vereist dat het gaat om een geschrift dat kan worden aangemerkt als een geschrift waaraan in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis pleegt te worden toegekend dat sprake is van een geschrift dat bestemd is tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225 Sr (vgl. HR 13 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF3286, NJ 2009/56).

Het Hof heeft blijkens de bewijsvoering vastgesteld dat in het onderzoeksrapport "wordt ingegaan op de handelwijze van de SNS bank in verband met de navraag die gedaan zou zijn naar onterechte overboekingen. Opgemerkt wordt dat bij de SNS bank sprake was van een lakse houding, dat er alles aan werd gedaan om de schuld op de verdachte af te schuiven en dat bij het verzenden van codes en readers het nodige is fout gegaan en dat het gekoppeld zijn van [verdachte] zijn bankrekening nooit prioriteit heeft gehad. Het advies is om de bank te laten vervolgen voor grote nalatigheid zowel naar verdachte toe als [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] )." Voorts heeft het Hof vastgesteld dat in dat rapport wordt ingegaan op een bij Santander afgesloten zakelijke lening, waarbij wordt aangegeven dat deze op naam van de verdachte is afgesloten, op de werkzaamheden van de advocaat van de verdachte, waarbij wordt aangegeven dat de in rekening gebrachte kosten niet zouden overeenkomen met de hoeveelheid tijd die de advocaat heeft besteed aan de kwestie, alsmede op de aangetekende verzending van een brief met een geldbedrag, waarbij met hoge mate van waarschijnlijkheid wordt vastgesteld dat deze is achtergehouden en dat dat geldbedrag is verwijderd.

Het Hof heeft uit de bewijsvoering klaarblijkelijk afgeleid dat het onderzoeksrapport bestemd was om te dienen tot het bewijs dat het overmaken van bedragen van de bankrekening van betrokkene 1 naar de bankrekening van de verdachte het gevolg was van fouten bij de SNS bank, dat de lening bij Santander op naam van de verdachte is afgesloten, dat de declaratie van de advocaat onjuist is en dat bij de postbestelling een brief met een geldbedrag is verdwenen en dat het onderzoeksrapport dat was voorzien van de naam, de adresgegevens en het logo van recherchebureau A B.V., ongeacht de daarin gemaakte taalfouten, in het maatschappelijk verkeer een zodanige betekenis kan worden toegekend, dat het daardoor kan worden aangemerkt als een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen als bedoeld in art. 225, eerste lid, Sr. Dat oordeel van het Hof geeft - gelet op hetgeen hiervoor is vooropgesteld - niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent dat delictsbestanddeel en is niet onbegrijpelijk.

Het middel is tevergeefs voorgesteld.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly and PDF