Vallen camerabeelden wachtruimte en toegangspaden tot afdeling spoedeisende hulp van ziekenhuis onder verschoningsrecht? HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. reikwijdte verschoningsrecht arts.

Hoge Raad 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:553

 Het gaat om een vermoedelijk begane mishandeling. Het slachtoffer zag in de wachtruimte van het A Ziekenhuis een man die zij meende te herkennen als de dader. Om de identiteit van deze man te achterhalen vorderde de Officier van Justitie met machtiging van de rechter-commissaris op grond van art. 126nf Sv de camerabeelden van de wachtruimte en van alle toegangspaden tot het ziekenhuis. Op deze camerabeelden zijn de personen die het ziekenhuis bezoeken, onder wie ook patiënten, zichtbaar.

De klaagster heeft aan de vordering van de Officier van Justitie in die zin voldaan dat een gegevensdrager met daarop de desbetreffende camerabeelden in een gesloten envelop is overhandigd aan een opsporingsambtenaar. Deze opsporingsambtenaar heeft deze gegevensdrager in de gesloten envelop inbeslaggenomen. Vervolgens heeft de klaagster een klaagschrift ingediend waarin zij zich verzet tegen de inbeslagname van die gegevensdrager en stelt dat de desbetreffende camerabeelden vallen onder het haar toekomende afgeleide verschoningsrecht.

Op 1 maart 2015 is de zogenoemde versnelde beklagprocedure voor verschoningsgerechtigden in werking is getreden, waarbij de art. 98, 552a en 552d Sv zijn gewijzigd. Art. 98, eerste, derde en vierde lid, Sv luidt als volgt:

"1. Bij personen met bevoegdheid tot verschooning, als bedoeld bij artikel 218, worden, tenzij met hunne toestemming, niet in beslag genomen brieven of andere geschriften, tot welke hun plicht tot geheimhouding zich uitstrekt. De rechter-commissaris is bevoegd ter zake te beslissen.

3. De rechter-commissaris die beslist dat inbeslagneming is toegestaan, deelt de persoon met bevoegdheid tot verschoning mede dat tegen zijn beslissing beklag open staat bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd en tevens dat niet tot kennisneming wordt overgegaan dan nadat onherroepelijk over het beklag is beslist.

4. Tegen de beschikking van de rechter-commissaris kan de persoon met bevoegdheid tot verschoning binnen veertien dagen na de betekening daarvan een klaagschrift indienen bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd. Artikel 552a is van toepassing."

Op grond van art. 98, eerste lid, Sv is het eerst aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht ten aanzien van de inbeslaggenomen gegevensdrager met daarop de camerabeelden. Zo een beslissing ontbreekt echter in het onderhavige geval. De Rechtbank heeft ook niet de behandeling van het klaagschrift aangehouden en de stukken in handen van de rechter-commissaris gesteld teneinde een beschikking te geven als in art. 98, eerste lid, Sv bedoeld. Dat brengt met zich dat het cassatieberoep niet is gericht tegen een beslissing van de Rechtbank op een ingevolge art. 98, vierde lid, Sv gedaan beklag, maar dat het gedane beklag moet worden beschouwd als een klaagschrift tegen de inbeslagneming als bedoeld in art. 552a, eerste lid, Sv, waarbij dat klaagschrift ertoe strekt dat een geheimhouder de bevoegdheid tot verschoning kan uitoefenen met betrekking tot de camerabeelden. Derhalve geldt dat, alvorens wordt beslist op het klaagschrift, de stukken in handen van de rechter-commissaris worden gesteld teneinde de genoemde beschikking te geven (vgl. HR 25 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2418, rov. 3.4 en HR 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1205, NJ 2018/92, rov. 2.6). In cassatie wordt niet geklaagd over dit verzuim van de Rechtbank. In geval van vernietiging van de bestreden beschikking en terugwijzing van de zaak dient evenwel alsnog met inachtneming van deze procedure te worden beslist.

Nu het klaagschrift weliswaar is ingediend door een rechtspersoon aan wie een afgeleid verschoningsrecht toekomt, maar de klaagster in de omstandigheden van het onderhavige geval moet worden geacht mede op te komen tegen de inbeslagneming namens aan het ziekenhuis verbonden artsen aan wie de bevoegdheid tot verschoning als bedoeld in art. 218 Sv toekomt, is de versnelde beklagprocedure van art. 552a, achtste lid, en 552d, derde lid, Sv van toepassing.
 

Middel 

Het middel klaagt over het oordeel van de Rechtbank dat de camerabeelden die zich op de inbeslaggenomen gegevensdrager bevinden, niet onder het verschoningsrecht vallen.
 

Beoordeling Hoge Raad

De bestreden beschikking houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:

"De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde camerabeelden niet zijn aan te merken als informatie waarvan de wetenschap aan klaagster is toevertrouwd uit hoofde van haar stand, beroep of ambt en waarover aldus de geheimhoudingsplicht zich uitstrekt. Op de bewuste camerabeelden van zowel de toegangswegen tot als de wachtruimte van de eerste hulp van het [A] ziekenhuis, zullen niet alleen patiënten kunnen worden waargenomen, maar ook andere bezoekers van [A]. Aan de hand van de beelden kunnen individuele personen derhalve niet als patiënt worden geïdentificeerd. Zij geven informatie over bezoekers van het [A] ziekenhuis te [plaats] binnen de beperkte periode van twee uren op de datum 12 maart 2017, waarbij sommige bezoekers patiënt kunnen zijn of mogelijk mensen die medische hulp zoeken, maar de bezoekers kunnen ook begeleiders van deze personen zijn of personen die om hele andere redenen dan het verkrijgen van medische hulp het ziekenhuis bezoeken. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de plaatsen waar de camerabeelden zijn gemaakt voor eenieder toegankelijk zijn en dat hetgeen op de beelden zichtbaar is derhalve voor iedereen die zich op dat moment ter plaatse bevond, zichtbaar was.

Op grond van de haar ter beschikking staande stukken, is de rechtbank gelet hierop van oordeel dat de gevorderde camerabeelden geen geheimhoudersstukken of -informatie betreffen en dat de gevorderde beelden kunnen bijdragen aan de waarheidsvinding ter zake van de opsporing van een (ernstig) strafbaar feit.

Derhalve dient het klaagschrift ongegrond te worden verklaard."

Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld.

Aan het verschoningsrecht ligt ten grondslag dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.

De vraag of sprake is van informatie die te gelden heeft als wetenschap die aan de verschoningsgerechtigde in het kader van zijn beroepsuitoefening is toevertrouwd, zoals bedoeld in art. 218 Sv, dient in het geval van een arts als volgt te worden beoordeeld. Het verschoningsrecht van een arts strekt zich uit tot

(a) gegevens die betrekking hebben op de behandeling en de verzorging van de aan zijn zorgen toevertrouwde patiënten, alsmede

(b) gegevens die hem in zijn hoedanigheid zijn medegedeeld of waarvan hij in zijn hoedanigheid heeft kennis gekregen, en waarvan de openbaarmaking het vertrouwen zou beschamen dat de patiënten met het oog op zijn hulpverlenende taak in hem moeten kunnen stellen. (Vgl. HR 23 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC0052, NJ 1991/761)

In de hiervoor weergegeven overwegingen ligt als oordeel van de Rechtbank besloten dat aan de klaagster een – van aan het ziekenhuis verbonden artsen – afgeleid verschoningsrecht toekomt. In cassatie is dit oordeel niet bestreden, zodat daarvan moet worden uitgegaan.

Het oordeel van de Rechtbank dat de camerabeelden van de wachtruimte en de toegangspaden tot de afdeling spoedeisende hulp van het ziekenhuis niet kunnen gelden als wetenschap die aan een arts in het kader van zijn beroepsuitoefening is toevertrouwd als bedoeld in art. 218 Sv en derhalve ook niet onder het afgeleide verschoningsrecht van de klaagster vallen, geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

De Rechtbank heeft tot uitgangspunt genomen dat op de camerabeelden in ieder geval ook patiënten zijn vastgelegd. Camerabeelden waaruit de identiteit van een patiënt of van het bestaan van een (toekomstige) hulpverleningsrelatie valt af te leiden omdat zij de bezoeker van een bepaalde arts of een bepaalde behandelafdeling van een ziekenhuis herkenbaar in beeld brengen, kunnen onder het verschoningsrecht van een arts en derhalve het de klaagster toekomende afgeleide verschoningsrecht vallen. De Rechtbank heeft dat miskend. Dat, zoals de Rechtbank heeft overwogen, op de desbetreffende camerabeelden ook bezoekers en begeleiders te zien zijn en dat de plaatsen waar die camerabeelden zijn gemaakt voor een ieder toegankelijk zijn, maakt dat niet anders.

Het middel klaagt hierover terecht.

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF