Uitspraak kort geding vorderingen Staat tot het verstrekken van gegevens & inlichtingen door belastingplichtige: Bevel tot verschaffen van wilsafhankelijk materiaal mag niet ongeclausuleerd

Hoge Raad 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3640

Essentie

In gevallen waarin van een belastingplichtige op grond van art. 47 AWR afgifte door middel van een civiel kort geding van materiaal wordt verlangd met het oog op een juiste belastingheffing, en deze belastingplichtige een beroep doet op het nemo-teneturbeginsel, dient het volgende onderscheid te worden gemaakt.

  1. In een civielrechtelijk kort geding kan de belastingplichtige onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.
  2. Voldoet de belastingplichtige niet aan dit bevel, dan verbeurt hij de daaraan verbonden dwangsom. Indien partijen van mening verschillen of de belastingplichtige aan het bevel heeft voldaan, rusten in een eventueel executiegeschil op de Staat de stelplicht en bewijslast terzake. Dit brengt mee dat de Staat in geval van betwisting zal moeten bewijzen – in de zin van aannemelijk maken – dat de belastingplichtige daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet door hem afgestane, materiaal kon verschaffen.
  3. Wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belasting- of strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.

Feiten

Op basis van de Bijstandsrichtlijn hebben de Duitse fiscale autoriteiten gegevens verstrekt aan de Nederlandse Belastingdienst waaruit blijkt dat eiser – als first benificiary – betrokken is geweest bij de Conet Stiftung te Liechtenstein. Naar aanleiding van deze feiten heeft de Belastingdienst gegevens bij eiser opgevraagd. Eiser heeft verklaard “slechts een beperkte herinnering had aan enige betrokkenheid bij een Liechtensteinse Stiftung”. Als reactie hierop heeft de Staat een kort geding op grond van artikel 47 AWR tegens eiser aangespannen waarbij  - op verbeurte van een dwangsom – zal worden bevolen om: “alle gevorderde gegevens en inlichtingen te verstrekken over de Stiftung en haar vermogen, en de bestemming van dat vermogen na de opheffing van de Stiftung;”.

Eiser heeft – met een beroep op het nemo tenetur-beginsel – geweigerd aan het verzoek van de Staat te voldoen. Eiser stelt dat het feit dat de gevraagde gegevens ook voor beboeting kunnen/zullen gebruikt worden in strijd is met het eerder genoemde beginsel.

Voorzieningenrechter & Hof

De voorzieningenrechter heeft het gevorderde toegewezen (met dien verstande dat hij geen bevel tot verklaren “naar waarheid” heeft opgelegd).

Het hof heeft het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd. Met betrekking tot het beroep van eiser op het nemo tenetur-beginsel overwoog het hof dat de verplichting tot het verstrekken van inlichtingen op grond van art. 47 lid 1 AWR ten behoeve van een juiste belastingheffing naar vaste rechtspraak niet in strijd komt met dit beginsel. Dit wordt volgens het hof niet anders door de omstandigheid dat de belastingdienst eiser verdenkt van strafrechtelijk verwijtbaar handelen en bij de gevraagde gegevens mede belang kan hebben voor bijvoorbeeld vaststelling van vergrijpboetes.

De vraag of die gegevens later zullen kunnen worden gebruikt voor beboeting of strafvervolging is thans niet aan de orde en kan, indien zich een dergelijke situatie zou voordoen, in de desbetreffende fiscale of strafrechtelijke procedure aan de orde worden gesteld, aldus het hof.

Middel

Het middel stelt de vraag aan de orde of, en zo ja in hoeverre, van dit uitgangspunt moet worden afgeweken in verband met de mogelijkheid dat eiser bij toewijzing van de vordering op een met art. 6 EVRM strijdige wijze zou worden gedwongen om mee te werken aan bewijsvergaring ten behoeve van bestuurlijke boete-oplegging of strafvervolging, en hij bij weigering om aan het in dit kort geding gegeven bevel te voldoen, een (aanzienlijke) dwangsom zou verbeuren.

Hoge Raad

In Saunders tegen Verenigd Koninkrijk (ECLI:NL:XX:1996:ZB6862) heeft het EHRM overwogen dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie samenhangt met het zwijgrecht, hetgeen meebrengt dat dit verbod zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van bewijsmateriaal dat weliswaar onder dwang is verkregen, maar bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte (hierna: wilsonafhankelijk materiaal). Uit latere rechtspraak van het EHRM blijkt niet dat het van dit uitgangspunt is teruggekomen. Dit brengt mee dat de verkrijging van wilsonafhankelijk materiaal langs de weg van een in kort geding gegeven bevel geen schending van art. 6 EVRM oplevert, ook niet als aan dat bevel een dwangsom wordt verbonden.

Voor zover sprake is van bewijsmateriaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige (hierna: wilsafhankelijk materiaal), geldt het volgende. Voorop staat dat de verkrijging van zodanig materiaal mag worden afgedwongen voor heffingsdoeleinden. Indien niet kan worden uitgesloten dat het materiaal tevens in verband met een “criminal charge” tegen de belastingplichtige zal worden gebruikt (vgl. J.B. tegen Zwitserland, ECLI:NL:XX:2001:AN6999), zullen de nationale autoriteiten moeten waarborgen dat de belastingplichtige zijn recht om niet mee te werken aan zelfincriminatie effectief kan uitoefenen. Aangezien hierop gerichte regelgeving in Nederland ontbreekt, dient de rechter in de vereiste waarborgen te voorzien.

Om deze reden dient de (voorzieningen)rechter een op het vorenstaande gerichte clausulering te verbinden aan het door hem uit te spreken bevel. De vordering is door de Staat met een beroep op art. 47 AWR ingesteld met het oog op belastingheffing, terwijl mogelijk gebruik van de gevorderde informatie ten behoeve van bestuurlijke beboeting of bestraffing niet is uitgesloten. Ter voldoening aan de eisen die uit art. 6 EVRM voortvloeien dient de te treffen voorziening, voor zover die wilsafhankelijk materiaal betreft, in die zin te worden beperkt dat een zodanig bevel alleen mag worden gegeven met de restrictie dat het verstrekte materiaal uitsluitend wordt gebruikt ten behoeve van de belastingheffing. Zou het aldus in handen van de Inspecteur, en daarmee van de Staat, geraakte materiaal desondanks mede worden gebruikt voor doeleinden van fiscale beboeting of strafvervolging, dan komt het oordeel welk gevolg moet worden verbonden aan schending van de door de voorzieningenrechter gestelde restrictie, toe aan de rechter die over de beboeting of bestraffing beslist.

Het bovenstaande betekent dat in gevallen waarin van een belastingplichtige op grond van art. 47 AWR afgifte van materiaal wordt verlangd met het oog op een juiste belastingheffing, en deze belastingplichtige een beroep doet op het nemo-teneturbeginsel, het volgende onderscheid moet worden gemaakt.

  1. In een civielrechtelijk kort geding kan de belastingplichtige onder last van een dwangsom worden veroordeeld al het materiaal te verschaffen dat van belang kan zijn voor een juiste belastingheffing, ongeacht of het gaat om wilsonafhankelijk of wilsafhankelijk materiaal, zulks echter onder de restrictie dat materiaal van deze laatste soort uitsluitend mag worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.
  2. Voldoet de belastingplichtige niet aan dit bevel, dan verbeurt hij de daaraan verbonden dwangsom. Indien partijen van mening verschillen of de belastingplichtige aan het bevel heeft voldaan, rusten in een eventueel executiegeschil op de Staat de stelplicht en bewijslast terzake. Dit brengt mee dat de Staat in geval van betwisting zal moeten bewijzen – in de zin van aannemelijk maken – dat de belastingplichtige daadwerkelijk het van hem verlangde, maar niet door hem afgestane, materiaal kon verschaffen.
  3. Wilsafhankelijk materiaal dat door de belastingplichtige ingevolge het bevel van de voorzieningenrechter is verstrekt, mag niet worden gebruikt voor fiscale beboeting of strafvervolging van de belastingplichtige. Zou dit laatste toch gebeuren, dan dient de belastingrechter of de strafrechter te bepalen welk gevolg aan dit gebruik moet worden verbonden.

Dit brengt mee dat het middel in zoverre slaagt, dat de in het dictum van de voorzieningenrechter (onder 6.1–6.5) gegeven bevelen niet ongeclausuleerd hadden mogen worden gegeven. In zoverre zullen het arrest van het hof en het vonnis van de voorzieningenrechter worden vernietigd. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door aan de veroordelingen in het vonnis van de voorzieningenrechter (dictum onder 6.1–6.5) een restrictie te verbinden als hiervoor bedoeld en de Staat te veroordelen tot terugbetaling van hetgeen reeds door eiser is betaald, overeenkomstig zijn daartoe strekkende eis in hoger beroep. De proceskosten in eerste aanleg, principaal appel en cassatie zullen worden gecompenseerd als hierna te vermelden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF