Uitbreiding van de ongemaximeerde voorschotregeling: versterking van de positie van slachtoffers bij ernstige geweldsdelicten

Op 20 december 2025 is de consultatie gestart van een besluit tot wijziging van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Dit besluit strekt tot uitbreiding van de zogenoemde ongemaximeerde voorschotregeling. De regeling ziet op slachtoffers aan wie door de strafrechter een schadevergoedingsmaatregel is toegekend en beoogt te waarborgen dat zij hun schade daadwerkelijk en tijdig vergoed krijgen, ook wanneer de veroordeelde niet tot betaling overgaat. De consultatie loopt tot en met 14 februari 2026.

De voorschotregeling in het strafrechtelijk kader

Wanneer de strafrechter op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht een schadevergoedingsmaatregel oplegt, is de voorschotregeling van toepassing. Deze regeling houdt in dat de Staat het schadebedrag aan het slachtoffer uitkeert indien de veroordeelde niet binnen acht maanden na het onherroepelijk worden van het vonnis of arrest volledig heeft betaald. Vervolgens zet de Staat de inning voort op de dader.

In beginsel is deze voorschotregeling gemaximeerd tot een bedrag van € 5.000. Voor slachtoffers van gewelds- en seksuele misdrijven geldt echter een uitzondering: voor deze categorieën is het voorschot ongemaximeerd. Dat betekent dat het volledige toegewezen schadebedrag door de Staat wordt voorgeschoten, ongeacht de hoogte daarvan. Welke delicten precies onder deze ongemaximeerde regeling vallen, is nader uitgewerkt in het Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.

Aanleiding voor uitbreiding van de regeling

Hoewel de ongemaximeerde voorschotregeling reeds geldt voor alle seksuele misdrijven en een aantal opzettelijke geweldsdelicten, is de afgelopen jaren gebleken dat een aantal ernstige strafbare feiten buiten deze regeling viel. Vanuit de praktijk, slachtoffers, slachtofferorganisaties en de Tweede Kamer is herhaaldelijk gewezen op schrijnende situaties waarin slachtoffers van ingrijpende geweldsdelicten slechts aanspraak konden maken op het gemaximeerde bedrag van € 5.000, terwijl hun daadwerkelijke schade aanzienlijk hoger lag.

Met name bij delicten zoals brandstichting met dodelijke afloop of andere feiten met ernstige lichamelijke gevolgen bleek dit tot moeilijk uitlegbare en onbevredigende uitkomsten te leiden. Tegen deze achtergrond is toegezegd de kring van delicten die onder de ongemaximeerde voorschotregeling vallen, uit te breiden.

Uitgangspunt: geweldsmisdrijven en lichamelijke integriteit

Bij de vormgeving van de uitbreiding is aangesloten bij het kerncriterium dat ten grondslag ligt aan de bestaande regeling. Een geweldsmisdrijf wordt in dit kader verstaan als een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Het gaat daarbij niet uitsluitend om misdrijven waarbij het gevaar zich daadwerkelijk heeft verwezenlijkt; ook het creëren van een ernstig risico voor lichamelijke integriteit kan voldoende zijn.

Dit criterium verklaart waarom gewelds- en seksuele misdrijven een bijzondere positie innemen binnen de voorschotregeling. Deze delicten maken diepgaande inbreuk op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van slachtoffers en hebben doorgaans een grote impact op hun leven. Het uitgangspunt blijft daarom dat voor andere delicten, zoals vermogensdelicten of delicten die primair zijn gericht tegen goederen, de gemaximeerde regeling van toepassing is.

Keuzes binnen de uitbreiding

Bij de uitbreiding van de ongemaximeerde voorschotregeling is gekozen voor een benadering die zowel juridisch consistent als praktisch uitvoerbaar is. Enerzijds is vastgehouden aan het uitgangspunt dat de regeling ziet op geweldsmisdrijven. Anderzijds zijn binnen die categorie gerichte keuzes gemaakt, mede op basis van maatschappelijke behoefte, uitvoerbaarheid en financiële consequenties.

Concreet wordt de ongemaximeerde voorschotregeling uitgebreid met een aantal opzettelijke geweldsdelicten, waaronder opzettelijke brandstichting, wederrechtelijke vrijheidsberoving, gijzeling (ook met terroristisch oogmerk) en dwang. Daarnaast worden twee specifieke schuldgeweldsdelicten toegevoegd: dood door schuld en dood door schuld in het verkeer. Hoewel deze delicten geen opzet vereisen, is hun impact door het overlijden van een persoon zodanig groot dat zij naar aard en ernst vergelijkbaar worden geacht met de reeds onder de regeling vallende delicten.

Andere delicten blijven buiten beschouwing. Zo worden bedreiging en belaging niet aangemerkt als geweldsmisdrijf in deze context, omdat zij primair zien op het aanjagen van vrees of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Ook gemeengevaarlijke delicten blijven in beginsel buiten de regeling, met als belangrijke uitzondering de opzettelijke brandstichting met levensgevaar of dodelijke afloop, juist vanwege de ernst en de bekende schrijnende casuïstiek.

Gevolgen voor slachtoffers en strafrechtspraktijk

Met de uitbreiding van de ongemaximeerde voorschotregeling komen meer slachtoffers in aanmerking voor volledige vergoeding van hun toegewezen schade, wanneer betaling door de dader uitblijft. Daarmee wordt voorkomen dat slachtoffers langdurig worden geconfronteerd met gedeeltelijke betalingen of met het uitblijven daarvan. Dit draagt bij aan erkenning, genoegdoening en herstel, en voorkomt extra emotioneel leed dat kan ontstaan door onzekerheid over schadevergoeding.

Voor de strafrechtspraktijk betekent de wijziging dat in meer zaken rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van een volledig voorgeschoten schadevergoeding door de Staat. Tegelijkertijd blijft het uitgangspunt ongewijzigd dat de Staat het uitgekeerde bedrag verhaalt op de dader. De voorschotregeling verandert daarmee niets aan de aansprakelijkheid van de veroordeelde, maar verschuift het inningsrisico in eerste instantie naar de overheid.

Financiële en uitvoeringsaspecten

De uitbreiding van de regeling leidt ertoe dat jaarlijks een beperkt aantal extra zaken onder de ongemaximeerde voorschotregeling zal vallen. Het gaat daarbij om enkele tientallen schadevergoedingsmaatregelen per jaar die het bestaande plafond overschrijden. Het totale bedrag aan extra voorschotten loopt daarmee op tot enkele tonnen per jaar.

Hoewel dit betekent dat het financiële risico voor de Staat toeneemt, blijft het in de kern gaan om vorderingen op daders die over een langere periode worden geïnd. De verwachting is wel dat hogere schadebedragen moeilijker verhaalbaar zijn, waardoor het oninbare deel kan stijgen. De uitvoering van de regeling blijft primair belegd bij het Centraal Justitieel Incassobureau, waarvoor de uitbreiding uitvoerbaar wordt geacht binnen bestaande processen.

Slotbeschouwing

Met het besluit tot uitbreiding van de ongemaximeerde voorschotregeling wordt beoogd een aantal knelpunten in de bestaande regeling weg te nemen en schrijnende situaties voor slachtoffers van ernstige geweldsdelicten te verminderen. Door de regeling gerichter uit te breiden, blijft het onderscheid tussen gewelds- en niet-geweldsdelicten behouden, terwijl tegelijkertijd recht wordt gedaan aan slachtoffers die tot nu toe buiten de boot vielen. De consultatie biedt ruimte voor verdere reflectie op de gekozen afbakening, maar de voorgestelde wijziging markeert een duidelijke stap in de verdere versterking van de positie van slachtoffers in het strafproces.

Relevante documenten

Print Friendly and PDF ^