Uitbreiding mandaat EOM tot vervolging grensoverschrijdende terroristische misdrijven
/ BijzonderStrafrecht.nlDe dreiging van terrorisme is in de EU nog steeds sterk. Hoewel de aanslagen in aantal zijn afgenomen, kunnen deze nog steeds een verwoestend effect hebben. Radicalisering kan ook leiden tot een sterkere polarisatie en aantasting van de sociale cohesie. De lidstaten behouden de primaire verantwoordelijkheid voor de bestrijding van terrorisme en radicalisering. De grens- en sectoroverschrijdende dimensies van de dreiging worden echter steeds sterker en vereisen verdere stappen in de samenwerking en coördinatie van de EU. Doeltreffende uitvoering van de EU-wetgeving inzake terrorismebestrijding, met inbegrip van beperkende maatregelen, is een prioriteit.
Het is nog steeds de bedoeling om het mandaat van het Europees Openbaar Ministerie uit te breiden tot de vervolging van grensoverschrijdende terroristische misdrijven. Dat valt te lezen in de Mededeling van de Commissie betreffende de EU-strategie voor de veiligheidsunie van 24 juli 2020.
Het EOM gaat eind 2020 van start. Het zal strafbare feiten die de EU-begroting schaden, zoals fraude, corruptie en witwassen, onderzoeken, vervolgen en voor de rechter brengen. Ook grensoverschrijdende btw-fraude, die de belastingbetaler tenminste 50 miljard EUR per jaar kost, zal door het EOM worden aangepakt.
Lees meer over dit onderwerp:
De FIOD heeft op donderdag 29 oktober een aanhouding verricht en doorzoekingen gedaan in een strafrechtelijk onderzoek naar grensoverschrijdende btw-fraude. Een 48-jarige man uit Capelle aan den IJssel is aangehouden en meegenomen voor verhoor. Hij wordt verdacht van het opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften. Zijn woning en een bedrijfspand in Rotterdam zijn doorzocht. Daarbij is beslag gelegd op vier panden, een auto, 20 pallets met mobiele telefoons, ruim 240.000 euro contant geld, bankrekeningen en fysieke en digitale administratie.
De rechtspraak van de Gemeenschapsrechters onderwerpt OLAF-onderzoeken aan effectieve rechterlijke controle. Eindrapporten en het doorgeven van informatie aan nationale autoriteiten zijn voorbereidende, niet-bindende handelingen en kunnen daarom niet met een beroep tot nietigverklaring worden aangevochten. Toch blijft toetsing mogelijk: via een schadevergoedingsactie op grond van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap. In zaken als Camós Grau, Giraudy, Nikolaou en Franchet & Byk kende de rechter schadevergoeding toe wegens schending van de onschuldpresumptie, de vertrouwelijkheidsplicht, de rechten van verdediging en het beginsel van behoorlijk bestuur, vaak na lekken naar de pers. Zo ontstond een indirecte controle op de waarborgen rond OLAF-onderzoeken.
Een onderzoeksproject onder leiding van prof. Anna Maria Maugeri (Universiteit van Catania) analyseert systematisch de EU-wetgeving over fraude, corruptie, witwassen en de aansprakelijkheid van rechtspersonen, met als doel de bescherming van de financiële belangen van de Unie te versterken. Doordat de EU-instrumenten ongelijk worden geïmplementeerd, ontstaat een wisselend beschermingsniveau dat de EU-begroting en de geloofwaardigheid van de instellingen onder druk zet. Het onderzoek beoordeelt de effectiviteit en implementatie van onder meer de PIF-richtlijn (2017/1371), Verordening 2988/95, de anticorruptierichtlijn (2026/1021), de antiwitwaswetgeving en de confiscatierichtlijn (2024/1260), en bekijkt de rol van het EOM bij PIF-delicten.
In zaak T-48/05 kende het Gerecht van eerste aanleg Yves Franchet en Daniel Byk 56.000 euro schadevergoeding toe wegens fouten van de Europese Commissie en OLAF tijdens het Eurostat-onderzoek. De uitspraak raakt drie punten. De onschuldpresumptie werd geschonden door een persbericht van 9 juli 2003, terwijl het informeren van een parlementaire commissie geen schending opleverde. OLAF verzuimde de betrokkenen tijdig te informeren en te horen voordat conclusies met naam en toenaam aan de justitiële autoriteiten werden doorgegeven. Ten slotte had OLAF het Comité van toezicht moeten raadplegen vóór doorzending aan de nationale gerechtelijke autoriteiten, niet pas op het moment daarvan.
Toen OLAF in 1999 werd opgericht, koos men bewust voor een administratief instrument om fraude, corruptie en andere onregelmatigheden ten nadele van de financiële belangen van de Gemeenschap te bestrijden. Tien jaar later blijkt die kwalificatie nauwelijks houdbaar. Het werk van OLAF vertoont een uitgesproken strafrechtelijk karakter: een groot deel van de zaken vraagt om justitiële opvolging, de bevoegdheden bij interne onderzoeken naderen die van opsporingsdiensten, en betrokkenen voelen zich onvoldoende beschermd. Deze spanningen vormen zowel een pull- als een pushfactor richting een Europees strafrechtelijk systeem, juist nu het Verdrag van Lissabon de strafrechtelijke profilering van de EU op scherp zet.
OLAF is het enige communautaire orgaan dat belast is met administratieve onderzoeken naar gedrag dat de financiële belangen van de EU schaadt en zowel strafrechtelijke als grensoverschrijdende aspecten kan hebben. De bescherming van die belangen via het strafrecht valt onder de derde pijler van de EU en steunt op de PFI-instrumenten: de PFI-Conventie van 1995 en de drie bijbehorende protocollen. Die verplichten lidstaten om fraude, corruptie en witwassen ten nadele van de EU-begroting strafbaar te stellen. Ruim tien jaar later is de ratificatie nog niet voltooid en schiet de nationale uitvoering tekort. Het Verdrag van Lissabon kan de weg vrijmaken voor sterkere handhaving, waarna OLAF moet bepalen welke hervorming het voorstelt.
Joint Investigation Teams (JIT's) maken het mogelijk dat onderzoekers uit verschillende EU-lidstaten informatie uitwisselen zonder rechtshulpverzoek. Toch worden ze in de praktijk weinig opgezet. Dat komt door onbekendheid met het instrument en door onduidelijke regels: het Verdrag inzake wederzijdse rechtshulp uit 2000 laat veel over aan nationale wetgevers, wat tot uiteenlopende bepalingen leidt. OLAF kan zo'n team ondersteunen, maar niet als volwaardig lid, omdat alleen nationale autoriteiten partij kunnen zijn. De rol blijft adviserend en ondersteunend: juridisch advies, toegang tot databanken, informatie over EU-instellingen en coördinatie. Daarbij gelden grenzen rond onderzoeksgeheim, gegevensbescherming en doelbinding.
Joint Investigation Teams kwamen binnen bereik met de Conventie van 29 mei 2000 over wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen EU-lidstaten. Wat begon als een idee waar praktijkmensen aanvankelijk sceptisch tegenover stonden, wordt nu vaker gebruikt voor snellere en bredere grensoverschrijdende onderzoeken. Eurojust behandelt jaarlijks meer dan 1000 zaken en houdt ruim 100 coördinatievergaderingen, waarin autoriteiten afspreken JITs op te zetten. Het nieuwe Raadsbesluit van 16 december 2008 maakt Eurojust tot centraal aanspreekpunt voor JITs in Europa. Eurojust adviseert wanneer een JIT meerwaarde heeft, helpt bij conceptovereenkomsten, ondersteunt operaties en begeleidt aanvragen voor financiering bij de Commissie.
OLAF, het Europees antifraudebureau, voert administratieve onderzoeken uit naar fraude, corruptie en onregelmatigheden die de financiële belangen van de EU schaden. Het verzamelt bewijs via inspecties, controles ter plaatse, verhoren en forensisch onderzoek, maar is geen politie- of vervolgingsdienst. De eindrapporten bevatten alleen aanbevelingen en hebben geen bindend rechtsgevolg; de nationale autoriteiten beslissen zelf over strafvervolging. Bij interne onderzoeken is OLAF verplicht informatie door te geven aan de nationale justitie, bij externe onderzoeken is dat een bevoegdheid. De versnipperde uitvoering over de lidstaten leidt tot ongelijke uitkomsten en voedt het voorstel voor een Europees Openbaar Ministerie.
De auteur betoogt dat het Europees bewijsverkrijgingsbevel nationale onderzoeken ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie kan versnellen, doordat de wetgever een ruime reeks samenhangende strafbare feiten heeft opgenomen die zijn vrijgesteld van de toets van dubbele strafbaarheid. Bewijs moet binnen zestig dagen na ontvangst worden geleverd. Het bevel bestrijkt echter een beperkt soort bewijs; voor ruimere en snellere uitwisseling zijn aanvullende instrumenten van wederzijdse erkenning nodig. OLAF zou gebaat zijn bij monitoring van het bevel en vergelijkbare instrumenten, om het gebruik, de knelpunten in de praktijk en de grenzen van wederzijdse erkenning in kaart te brengen.
