Twee WODC-rapporten over ongelijke afdoeningsuitkomsten in het strafrecht naar sociaaleconomische positie en herkomst
/Het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum heeft op 16 juni 2026 twee rapporten gepubliceerd over selectiviteit in de Nederlandse strafrechtketen: Vinkjes in het strafrecht? en Scherp op selectiviteit. Volgens het bijbehorende nieuwsbericht pakt het strafrecht gemiddeld ongunstiger uit voor verdachten met een zwakkere sociaaleconomische positie: zij krijgen bij vergelijkbare delicten gemiddeld zwaardere straffen. Het onderzoek komt voort uit twee moties van de Tweede Kamer, een over de oververtegenwoordiging van personen met een niet-westerse achtergrond in de strafrechtketen en de motie Van Nispen uit 2018 over klassenjustitie in Nederland. De onderzoekers spreken bewust van sociaaleconomische selectiviteit in plaats van klassenjustitie, omdat de gebruikte gegevens geen uitsluitsel geven over de legitimiteit van de gevonden verschillen; het Nederlandse strafrecht biedt ruimte voor maatwerk waarbij de persoon van de verdachte mag worden meegewogen. Eerder verscheen binnen hetzelfde onderzoeksprogramma het rapport Van verdenking tot vrijheidsstraf over etnische selectiviteit, en op 17 juni 2026 volgde de juridische analyse Verdachte gronden? van Van Noorloos en Samadi. Op 6 oktober 2026 geven de onderzoekers een openbare technische briefing aan de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid van de Tweede Kamer. Deze blog zet de bevindingen uit beide rapporten op een rij.
Opzet van het kwantitatieve onderzoek
Vinkjes in het strafrecht? (Cahier 2026-6, De Jong en Leerkes) is gebaseerd op CBS-gegevens over alle strafzaken van volwassen verdachten van 18 tot 65 jaar voor delicten gepleegd tussen 2006 en 2022, die door het Openbaar Ministerie en eventueel de rechter zijn behandeld. De onderzoekspopulatie omvat 2.541.611 strafzaken met 1.197.791 unieke verdachten. Sociaaleconomische positie is geoperationaliseerd aan de hand van vier indicatoren: opleidingsniveau, arbeidsmarktstatus, huishoudinkomen en woonstatus. In de analyses is gecontroleerd voor delict- en zaakkenmerken, waaronder het type delict, de zwaarte van het delict volgens de Nederlandse Crime Severity Index, eerdere veroordelingen, leeftijd en geslacht. Strafzaken tegen rechtspersonen vallen buiten het onderzoek, omdat de behandeling van rechtspersonen zich volgens de onderzoekers kwantitatief lastig laat vergelijken met die van natuurlijke personen. De titel verwijst naar de vinkjesmetafoor van Joris Luyendijk, die duidt op kenmerken die structureel voordeel kunnen opleveren.
Afdoeningswijze: vaker OM-afdoening bij een gunstiger profiel
Verdachten met een sterkere sociaaleconomische positie worden bij vergelijkbare delicten niet minder vaak gestraft dan verdachten met een zwakkere positie. Zij krijgen wel vaker een straf opgelegd door het Openbaar Ministerie en komen minder vaak voor de rechter. Deze vroege sortering in de strafrechtketen heeft volgens het rapport twee gevolgen. Alleen rechtszittingen zijn in beginsel openbaar, zodat straffen voor verdachten met een zwakkere positie maatschappelijk zichtbaarder zijn, en alleen de rechter kan een gevangenisstraf opleggen. De voorspelde kans op een straf door de rechter bedraagt 60 procent voor verdachten met het minst gunstige sociaaleconomische profiel, tegenover 31 procent voor verdachten met het meest gunstige profiel. Verdachten die nog in opleiding zijn hebben een 16 procentpunt lagere kans op strafoplegging door de rechter dan inactieve verdachten; voor werkenden is dat 10 procentpunt.
Strafsoort en strafhoogte
Ook in het type en de hoogte van sancties zijn verschillen zichtbaar. Verdachten met gunstigere kenmerken, zoals werk, een hbo- of wo-opleiding, een bovenmodaal inkomen of een koopwoning, krijgen minder vaak een gevangenisstraf; meer vermogende verdachten krijgen bovendien minder vaak een taakstraf. Geldboetes worden juist vaker opgelegd aan verdachten met een gunstiger profiel, maar de gemiddelde hoogte van die boetes ligt voor deze groep lager. Het contrast is het grootst bij de onvoorwaardelijke gevangenisstraf: de voorspelde kans daarop bedraagt 24 procent voor het minst gunstige profiel tegenover 4 procent voor het meest gunstige profiel, een factor zes. De arbeidsmarktstatus weegt van de onderzochte indicatoren het zwaarst. Bij de duur van de onvoorwaardelijke gevangenisstraf is de gemiddelde strafduur 48 procent lager voor werkende verdachten, 45 procent lager voor uitkeringsontvangers en 40 procent lager voor verdachten in opleiding, vergeleken met inactieve verdachten en gecontroleerd voor delictkenmerken en eerdere veroordelingen.
Het totale sanctiepakket
Om combinaties van straffen vergelijkbaar te maken, zijn de opgelegde sancties omgerekend naar sanctiepunten, waarbij één dag gevangenisstraf gelijkstaat aan twee uur taakstraf en aan € 50 geldboete. Het model voorspelt voor verdachten met de zwakste sociaaleconomische positie, inactief op de arbeidsmarkt, laagopgeleid, met een laag inkomen en zonder koopwoning, een sanctiepakket van gemiddeld 27 sanctiepunten, tegenover 9 sanctiepunten voor verdachten met de sterkste positie op al deze kenmerken. Het verschil van 18 sanctiepunten komt op basis van de gehanteerde omrekensleutel overeen met ongeveer 18 dagen extra onvoorwaardelijke gevangenisstraf, 36 uur extra taakstraf of € 900 extra geldboete. Ter vergelijking: in de onderzoekspopulatie kreeg de helft van de verdachten een straf van 14 sanctiepunten of minder. Afzonderlijk bezien ligt het totale sanctiepakket gemiddeld 54 procent lager voor verdachten die een opleiding volgen, 24 procent lager voor verdachten met een hbo- of wo-opleiding, 17 procent lager bij een bovenmodaal huishoudinkomen en 18 procent lager voor bewoners van een koopwoning.
Migratieachtergrond en onbekend woonadres
Migratieachtergrond speelt bij volwassen verdachten volgens het rapport een kleinere rol dan sociaaleconomische kenmerken. Wel hebben verdachten met een tweede generatie-migratieachtergrond een hogere kans op berechting door de rechter en op zwaardere straffen, ook wanneer rekening wordt gehouden met de sociaaleconomische positie; hun sanctiepakket ligt gemiddeld 22 procent hoger dan dat van verdachten zonder migratieachtergrond. De onderzoekers relateren hun bevindingen aan eerder journalistiek onderzoek van Investico, dat twee uitersten vergeleek. Binnen hetzelfde sociaaleconomische profiel zijn de verschillen naar migratieachtergrond beperkt: voor het minst gunstige profiel bedraagt de voorspelde kans op een onvoorwaardelijke gevangenisstraf 26 procent met en 22 procent zonder migratieachtergrond. Verdachten zonder bekend woonadres krijgen relatief vaak een straf van de rechter, in het bijzonder een gevangenisstraf, al is de duur daarvan gemiddeld korter; hun onvoorwaardelijke geldboetes liggen gemiddeld 96 procent hoger en hun totale sanctiepakket 58 procent hoger. Het rapport wijst daarbij op een mogelijk verband met voorlopige hechtenis, die bij minder ernstige misdrijven ook kan worden toegepast wanneer geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kan worden vastgesteld.
Scherp op selectiviteit: mechanismen uit interviews en focusgroepen
Het kwalitatieve rapport Scherp op selectiviteit (Cahier 2026-7, De Jong, Wozniak-Cole en Leerkes) is gebaseerd op 31 semigestructureerde interviews met professionals in en rondom de strafrechtketen, drie focusgroepen uit mei 2025 en interviews met acht personen met ervaringskennis als verdachte. Uit het materiaal komen drie spanningsvelden naar voren. Het eerste is maatwerk onder tijdsdruk: professionals nemen beslissingen onder hoge werkdruk en met beperkte informatie, waardoor zij kunnen terugvallen op mentale snelkoppelingen. De onderzoekers signaleren daarbij een risico op statistische discriminatie, omdat sociaaleconomische kenmerken, die vaak samenhangen met herkomst, in risicotaxatie-instrumenten worden meegewogen als voorspellers van recidive. Het tweede spanningsveld betreft de aansluiting tussen verdachte en systeem: verschillen in taal, communicatiestijl en leefwereld kunnen doorwerken in de beoordeling van de proceshouding, terwijl verdachten met een gunstiger positie zich volgens de onderzoekers beter kunnen voegen naar de impliciete verwachtingen van het systeem. Het derde spanningsveld is speciale preventie en statusbehoud: professionals zien bij verdachten die werk, een woning of een opleiding hebben meer aanknopingspunten voor lichtere, voorwaardelijke of alternatieve straffen, wat kan bijdragen aan een Mattheus-effect waarbij bestaande ongelijkheid wordt uitvergroot. In het rapport wordt verder gewezen op de rol van risicotaxatie-instrumenten zoals OXREC en RISc; de reclassering heeft het gebruik van OXREC voorlopig stilgelegd na kritiek van de Inspectie Justitie en Veiligheid op onder meer het gebruik van inkomens- en buurtgegevens.
Tien handelingsperspectieven
De onderzoekers formuleren tien handelingsperspectieven om ongewenste vormen van selectiviteit tegen te gaan: heroriëntatie van risicotaxatiemodellen, biastraining, blindere zaakverwerking, procesaanpassingen om de sociale afstand te verkleinen, training in sociaal-emotionele en communicatieve vaardigheden voor professionals, coaching van verdachten over het strafproces en de proceshouding, aangepast wervingsbeleid in de hele keten, transparantie over de weging van proceshouding, reflectie op de rol van sociaaleconomische kenmerken en onafhankelijke controle met datamonitoring van beslismomenten. Op basis van de literatuur achten de onderzoekers trainingen in sociaal-emotionele en communicatieve vaardigheden binnen de mensgerichte maatregelen het meest kansrijk, terwijl losstaande biastrainingen volgens evaluaties weinig effectief blijken en zelfs averechts kunnen werken. Systeemgerichte maatregelen, zoals experimenten met blindere zaakafdoening en een justitiële gelijkheidsmonitor die periodiek inzicht geeft in strafrechtelijke uitkomsten voor groepen met verschillende persoonskenmerken, verdienen volgens het rapport verdere uitwerking via pilots en transparante evaluatie. De onderzoekers bevelen daarnaast aan dat de ruime discretionaire vrijheid van beslissers gepaard gaat met een evenredige verantwoordingsplicht; aan de strafmotivering worden nu relatief weinig eisen gesteld. Het WODC schreef bij de rapporten een aanbiednota.
Raakvlak met het financieel-economisch strafrecht
Voor de praktijk van het financieel-economisch strafrecht is relevant dat transacties met rechtspersonen buiten de kwantitatieve analyses vallen. Beide rapporten benoemen daarnaast dat selectiviteit ook in de inhoud van het recht zelf besloten kan liggen, bijvoorbeeld wanneer in wetgeving of vervolgingsbeleid commune criminaliteit zoals diefstal en geweld anders wordt geprioriteerd dan witteboordencriminaliteit of bepaalde vormen van cybercrime. De juridische analyse Verdachte gronden? van Van Noorloos (Universiteit Leiden) en Samadi toetst de gevonden patronen aan onder meer het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod; die analyse is in een eerdere blog op dit platform besproken.
Technische briefing op 6 oktober
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft voor maandag 6 oktober 2026 een technische briefing geagendeerd over de WODC-rapporten over selectiviteit in de strafrechtketen. Tijdens de briefing lichten de onderzoekers de bevindingen en de zichtbare patronen van ongelijkheid toe aan de Kamerleden. De briefing is openbaar en vanaf 16.30 uur online te volgen via de website van de Tweede Kamer. De rapporten zijn door het ministerie van Justitie en Veiligheid aan de Tweede Kamer aangeboden.
Afsluiting
Met Vinkjes in het strafrecht? en Scherp op selectiviteit zijn de kwantitatieve en kwalitatieve deelrapporten van het WODC-onderzoek naar sociaaleconomische en etnische selectiviteit in de strafrechtketen verschenen, in vervolg op Van verdenking tot vrijheidsstraf en naast de juridische analyse Verdachte gronden?. De kwantitatieve analyses laten op geaggregeerd niveau structureel ongunstigere afdoeningsuitkomsten zien voor verdachten met een zwakkere sociaaleconomische positie; het kwalitatieve rapport beschrijft mogelijke mechanismen en tien handelingsperspectieven. De onderzoekers benadrukken dat de gevonden verschillen niet per definitie onrechtmatig zijn, omdat het strafrecht ruimte biedt voor maatwerk, maar dat de bevindingen uitnodigen tot reflectie binnen de strafrechtketen en de samenleving. Twee van de onderzoekers, Leerkes en De Jong, publiceerden naar aanleiding van het onderzoek een overkoepelende beschouwing in het vakblad Crimmigratie & Recht. De technische briefing aan de Tweede Kamer vindt plaats op 6 oktober 2026; een kabinetsreactie op de rapporten moet nog volgen.
Klik hier voor de volledige rapporten Vinkjes in het strafrecht? en Scherp op selectiviteit.
