Toepassing methode van eenvoudige kasopstelling & art. 36e lid 2 en lid 3 Sr

Hoge Raad 10 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:543

Het Hof heeft geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten, en heeft het bedrag waarop het voormeld voordeel heeft geschat, vastgesteld op € 338.302,26. Het heeft ter ontneming daarvan aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 333.000,00.

Samengevat houden hetgeen het Hof ten aanzien van de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft overwogen en de bewijsmiddelen het volgende in. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak is de verdachte veroordeeld ter zake van strafbare feiten gepleegd in de periode 1 mei 2009 tot en met 15 april 2011. Het Hof heeft enkel deze feiten beschouwd als de grondslag voor de vordering tot ontneming. Voor het vaststellen van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het Hof gebruik gemaakt van het "rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling ex art 36e lid 2e Sr" in welk rapport de rapporteur de voordeelsberekening heeft gebaseerd op de eenvoudige kasopstelling en daarbij de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2010 heeft gekozen als onderzoeksperiode.

Bij de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat heeft het Hof acht geslagen op onder meer de volgende uitgaven:

  • 15-07-2008 aanschaf Mercedes SLK 230 Kompressor € 14.900,00;
  • 03-10-2008 aanschaf KIA Sorento € 31.600,00;
  • 02-12-2008 aanschaf Volvo XC60 € 19.500,00.

Voorts heeft het Hof in dat verband acht geslagen op bankstortingen in 2008 ten bedrage van in totaal € 61.000,00 alsmede bankstortingen gedaan in de periode 22 januari 2009 tot en met 28 april 2009.
 

Middel

Het middel klaagt onder meer dat het Hof heeft vastgesteld dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen in een periode die voorafgaat aan de in de bewezenverklaring in de hoofdzaak genoemde periode.
 

Beoordeling Hoge Raad

Het Hof is bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van een berekeningswijze die pleegt te worden aangeduid als eenvoudige kasopstelling. Deze berekeningswijze komt niet alleen in aanmerking bij toepassing van het derde lid van art. 36e Sr, maar kan ook worden gehanteerd bij toepassing van het tweede lid van art. 36e Sr, indien het aan de hand van die berekening vastgestelde bedrag in voldoende mate kan worden gerelateerd aan het feit of de feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld dan wel aan andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e, tweede lid, Sr of, voor zover deze zijn begaan voor 1 juli 2011, soortgelijke feiten en/of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, als bedoeld in art. 36e, tweede lid (oud), Sr. (Vgl. HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:414, NJ 2017/151.)

In aanmerking genomen dat het Hof - dat kennelijk heeft beoogd enkel voordeel te ontnemen dat is verkregen door middel van of uit de baten van de in de hoofdzaak bewezenverklaarde feiten - tot uitgangspunt heeft genomen de periode van 1 mei 2009 tot en met 15 april 2011 waarin die feiten zijn begaan, is de vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat, voor zover het Hof daarbij de bankstortingen en uitgaven verricht vóór 1 mei 2009 heeft betrokken, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Het middel slaagt in zoverre.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly and PDF