Toepassing art. 80a RO door Hoge Raad

Hoge Raad 22 januari 2013, LJN BY9128 Het cassatieberoep richt zich tegen een beslissing van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 januari 2012.

Het eerste middel, dat klaagt dat het Hof de aanvulling van het verkorte arrest en het proces-verbaal van de zitting niet binnen de wettelijke termijn heeft opgesteld, stelt eisen die het recht niet kent. Op beide verzuimen staan immers geen wettelijke sancties. Het tweede middel komt op tegen de motivering van de verwerping van het verweer dat alle bewijsmiddelen die door verbalisant zijn verzameld moeten worden uitgesloten van het bewijs.

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten niet tot cassatie kunnen leiden.

De Hoge Raad zal daarom - gezien art. 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal - het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

 

  Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF