Strafbepaling Omgevingsverordening Limburg, voor zover het voorschriften betreft, gebaseerd op art. 1.2 Wet Milieubeheer, strijd Wet op de economische delicten

Rechtbank Maastricht 13 maart 2013, LJN BZ4211

Aan verdachte is tenlastegelegd dat zij in of omstreeks de periode van 1 april 2011 t/m 6 juni 2011 in de gemeente Eijsden-Margraten, al dan niet opzettelijk, in een graft, gelegen binnen het bodembeschermingsgebied Mergelland grondwerkzaamheden heeft uitgevoerd, door toen daar een inrit of weg aan te leggen.

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte een geldboete op te leggen van € 500.

De economische politierechter acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd.

De economische politierechter overweegt dat verdachte, eigenaar van het perceel, alwaar de graft die is aangetast is gelegen, ontkent dat zij grondwerkzaamheden in de graft heeft gepleegd of daartoe opdracht of daaraan feitelijk leiding heeft gegeven. Eerst achteraf heeft ze geconstateerd dat een heel stuk was weggegraven en er een weg was aangelegd op haar perceel. Zij wil niet zeggen wie dat heeft gedaan. Ze geeft aan de graft meteen te hebben hersteld.

Verdachte heeft aangegeven dat zij vanuit haar woning, waar ze in die tijd al niet meer vaak verbleef, geen uitzicht had op de locatie waar de graft is aangetast. Bovendien werden destijds nabij de locatie van haar perceel waarop de graft is gelegen, ook andere grondwerkzaamheden uitgevoerd in verband met de riolering en de aanleg van een stoep. Verder heeft ook het waterschap in die tijd aldaar grondwerkzaamheden verricht, zodat het voor haar niet evident kenbaar is geweest dat grondwerkzaamheden op haar perceel werden verricht.

De economisch politierechter acht de verklaring van verdachte niet onaannemelijk, zodat zij bij gebrek aan bewijs dient te worden vrijgesproken.

De economische politierechter merkt nog het volgende op over de strafbaarheid van het verweten feit.

Ingevolge Hoofdstuk 2, paragraaf 3, artikel 2.18, tweede lid, aanhef en onder f, van de Omgevingsverordening Limburg, is het verboden in het Bodembeschermingsgebied Mergelland buiten een inrichting, voor zover hier relevant, in een graft grondwerkzaamheden uit te voeren, behalve voor herstel en onderhoud van de graft.

De Omgevingsverordening Limburg, die op 1 januari 2011 in werking is getreden, is een samenvoeging van de eerdere Provinciale Milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening, die met de inwerkingtreding van deze verordening zijn ingetrokken.

Bij de bekendmaking van de Omgevingsverordening Limburg is vermeld dat, voor zover hier relevant, de wettelijke grondslag voor het bepaalde in hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening Limburg, artikel 1.2 van de Wet milieubeheer is. Dat betekent dat artikel 2.18 van de Omgevingsverordening Limburg is gebaseerd op artikel 1.2 van de Wet milieubeheer.

Overtreding van voorschriften bij of krachtens artikel 1.2, eerste lid, van de Wet Milieubeheer, is - voor zover aangeduid als strafbare feiten - ingevolge artikel 1a, onder 1 juncto artikel 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten als economisch delict strafbaar gesteld.

De economische politierechter stelt vast dat in de Omgevingsverordening Limburg – anders dan in artikel 9.1 van de voorheen geldende Provinciale Milieuverordening – geen bepaling is opgenomen die regelt dat het handelen in strijd met in die bepaling nader genoemde voorschriften van de Omgevingsverordening Limburg, een strafbaar feit is.

De economische politierechter stelt verder vast dat in artikel 8.1 van de Omgevingsverordening Limburg is bepaald dat handelen in strijd met, voor zover hier relevant, artikel 2.18, gestraft wordt met hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Deze strafbepaling, die impliceert dat overtreding van artikel 2.18 van de Omgevingsverordening Limburg, aangemerkt wordt als een (commuun) strafbaar feit, is naar het oordeel van de economische politierechter in strijd met het bepaalde in artikel 1a, onder 1 van de WED, hetgeen er toe leidt dat artikel 8.1 van de Omgevingsverordening Limburg bij een bewezenverklaring buiten toepassing zou moeten worden gelaten.

Dat zou betekenen dat bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, ontslag van rechtsvervolging zou moeten volgen, nu het feit in dat geval niet als een (economisch) strafbaar feit zou kunnen worden gekwalificeerd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF