Slachthuis veroordeeld tot een deels voorwaardelijke geldboete

Rechtbank Gelderland 28 februari 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1089

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet dieren. Haar medewerkers hebben bij de rituele slacht van een stier de daarvoor geldende regels niet in acht genomen. Toen bleek dat de stier te groot dan wel te breed was en niet gefixeerd kon worden in de daarvoor bestemde fixeerkooi is op andere wijze getracht de stier te fixeren. Daarbij is veel letsel en pijn toegebracht aan de stier en is pas na ongeveer 25 minuten en na raadpleging van de directeur besloten de stier te schieten. De gedragingen kunnen aan verdachte worden toegerekend nu niet is gebleken dat zij er alles aan heeft gedaan om dergelijk handelen te voorkomen.

Het slachthuis had een erkenning voor het ritueel onbedwelmd slachten van dieren.

Tijdens de slacht van een stier zag een medewerker van een keuringsdienst dat de regels niet werden nageleefd. De stier was te groot voor de fixatiekooi. Getracht werd de stier op andere wijze te fixeren. Daarbij werd veel letsel en pijn toegebracht aan de stier. Pas na 25 minuten werd de stier geschoten.

De raadsman heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Hij heeft daartoe betoogd dat de stier, anders dan Naam 1 heeft verklaard, niet in de fixeerkooi is geweest, maar via een deur in de ruimte naast de fixeerkooi is terechtgekomen. Daar is getracht de stier te fixeren. Volgens de raadsman is de stier niet opzettelijk mishandeld en is sprake geweest van een overmachtsituatie, omdat de stier een gevaar was voor zijn omgeving/de medewerkers van verdachte. Nadat de stier onder controle was gebracht is hij doodgeschoten.
 

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de medewerkers aan het slachthuis kunnen worden toegerekend en acht bewezen dat is gehandeld in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1 van de Wet dieren.

De man die destijds directeur was, is vrijgesproken, omdat de rechtbank niet bewezen acht dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Naam 1, als operationeel coördinator in dienst van Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS), heeft verklaard dat zij op 4 mei 2015 omstreeks 15:00 uur in opdracht van KDS in het slachthuis verdachte te Elst was voor onder andere een post-mortumkeuring. Ze hoorde afwijkende geluiden en ging kijken wat er aan de hand kon zijn. Ze zag een grote stier in de fixeerkooi staan. Door het neusschot van de stier was een grote metalen haak, een zogenoemde kophaak die aan een metalen rail in het slachthuis kan worden gehangen, gehaald. Het bloedde hevig. Minimaal vier medewerkers probeerden met deze haak de kop van de stier omhoog te krijgen. Medewerkers probeerden een voor- en een achterpoot van de stier te fixeren terwijl de stier in de kooi stond.

Naam 1 zag later dat de haak uit de neus van de stier was gehaald, dat de poten niet gefixeerd waren en dat de stier naast de fixeerkooi in de gang stond. Ze dacht dat de stier geschoten zou worden.

Hierna hoorde ze de stier weer hevig loeien. Ze zag dat de stier nu met een ketting om de horens aan een metalen buis was bevestigd. Twee medewerkers waren bezig om een ketting aan de rechtervoorpoot en de rechterachterpoot van de stier te bevestigen. Een derde persoon had de bediening van een takel in zijn hand. Met deze takel werden de twee rechterpoten van de stier omhooggetrokken, waardoor de stier met een klap op zijn linkerzij kwam. Een medewerker zag Naam 1 staan en vroeg haar niet te bellen, hij wilde geen tumult naar aanleiding van het “gerommel” met deze stier. Een van de medewerkers zei tegen haar dat ze de stier direct hadden moeten schieten, maar dat er dan geen afzet was voor de stier omdat deze dan niet halal geslacht zou zijn.

Volgens Naam 1 duurde het geheel tot het moment van ingrijpen door haar ongeveer 25 minuten.

Naam 2, directeur van verdachte, heeft op 2 juli 2015 het verklaard dat de voorman tijdens het slachtproces de leiding heeft. Op 4 mei 2015 werd een nieuwe gehaktmachine geïnstalleerd, waarbij de voorman heeft geholpen. Medewerkers wilden een stier slachten. De stier was te groot voor de slachtkooi. De medewerkers hebben het volgens Naam 2 verkeerd gedaan. Hij heeft de betreffende medewerkers mondeling gewaarschuwd en gedreigd met ontslag.

Getuige 2 heeft verklaard dat hij een geluid hoorde dat hem een onbehaaglijk gevoel gaf en dat hij met de KDS-medewerkster naar de slachthal is gegaan. Ze zagen een overstuur geraakte stier naast de fixeerkooi. Getuige 2 is naar Naam 2 gegaan om te zeggen dat het niet goed ging in de slachthal, waarop Naam 2 opdracht gaf om de stier te schieten.

Getuige 1 heeft ter terechtzitting verklaard dat het gewicht van de stier 650 à 700 kg was. De stier was volgens hem niet te hoog maar wel breed. De stier was gestrest, stond naast de fixeerkooi en maakte bij het zien van het bloed in de ruimte rare geluiden. Getuige 1 heeft gevraagd de kop van de stier vast te binden. Getuige 2 en Naam 1 kwamen erbij en nadat hij contact met hen had gehad, is de stier geschoten. Naar aanleiding van het incident is het penschiettoestel dat voorheen in de kluis in het kantoor lag, opgehangen in de ruimte bij de slachters.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van Naam 1 betrouwbaar is. Uit de stukken komt naar voren dat Naam 1 ongeveer tien jaar werkzaam is bij KDS, waarvan vier jaar als officiële assistente en zes jaar als operationeel coördinator in roodvlees slachterijen. Uit de stukken komt verder naar voren dat Naam 1 als medewerker van KDS onder meer kennis had van de methoden en procedures voor slachting en keuring. Gelet op haar functie is het aannemelijk dat Naam 1 met grote regelmaat in slachthuizen komt en dat zij weet waarover zij spreekt. Dat Naam 1 een verkeerde inschatting zou hebben gemaakt ten aanzien van de plaats waar zij de stier heeft gezien, acht de rechtbank mede gezien haar deskundigheid dan ook niet aannemelijk geworden.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van Naam 1 op onderdelen wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen getuige 2 en getuige 1 en de verklaring van Naam 2. Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat medewerkers een stier wilden slachten, dat deze te groot en/of te breed was voor de fixeerkooi en dat de stier op enig moment in de ruimte naast de fixeerkooi stond. Volgens Naam 2 hebben medewerkers bij het incident verkeerd gehandeld. Getuige 1 heeft ter zitting verklaard dat hij heeft gevraagd de kop van de stier vast te binden. Uit de verklaring van getuige 1 kan verder worden afgeleid dat het penschiettoestel niet in de ruimte van de slachterij was, maar in een kluis op het kantoor.

De rechtbank acht op grond van de verklaring van Naam 1 bewezen dat de medewerkers van verdachte handelingen hebben verricht bij de stier zoals door Naam 1 verklaard. Gelet op de verklaring van Naam 1 acht de rechtbank eveneens bewezen dat het hele incident ongeveer 25 minuten heeft geduurd, wat ook niet door de verdediging is weersproken. De stier is pas geschoten nadat getuige 2 daarover contact had gehad met Naam 2. De rechtbank acht de verklaringen van de pas veel later gehoorde medewerkers, waaronder getuige 1, inhoudende dat een medewerker een deur had open laten staan en dat de stier de verkeerde ingang had genomen, niet aannemelijk geworden. De rechtbank houdt er rekening mee, mede vanwege het tijdsverloop, dat de medewerkers hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, dan wel niet volledig zijn geweest in hun verklaringen over de gebeurtenissen om hun relatie met verdachte, hun werkgever, niet onder druk te zetten.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de gedragingen van de medewerkers aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Een belangrijk oriëntatiepunt bij toerekening aan een rechtspersoon is volgens het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF7938) of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon:

‘Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.’

De rechtbank overweegt dat verdachte een slachterij in stand houdt met een erkenning voor het onbedwelmd slachten van dieren. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de medewerkers van verdachte een stier wilden slachten. Dit is een activiteit in de sfeer van het bedrijf en behorend tot de normale bedrijfsvoering. Bovendien kan niet worden gezegd dat verdachte er alles aan heeft gedaan om de bewezenverklaarde gedragingen te voorkomen. Uit de verklaring van Naam 1 komt naar voren dat het incident ongeveer 25 minuten heeft geduurd, dat zij door een medewerker is aangesproken met het verzoek het incident niet te melden omdat hij geen tumult wilde naar aanleiding van het “gerommel” met de stier en dat een van de medewerkers tegen Naam 1 heeft gezegd dat ze de stier direct hadden moeten schieten, maar dat er dan geen afzet was voor de stier omdat het dan niet halal zou zijn geslacht. De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van getuige 1 ter terechtzitting volgt dat het penschiettoestel niet in de slachtruimte aanwezig was maar in de kluis in het kantoor lag. Deze omstandigheden leiden ertoe dat niet kan worden geconcludeerd dat verdachte er alles aan heeft gedaan de gedragingen te voorkomen. Kennelijk speelden financiële motieven mee om de stier niet direct te schieten, immers in dat geval zou de stier minder opbrengen.

Van een overmachtsituatie kan gezien het voorgaande niet worden gesproken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman in zoverre.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de medewerkers van verdachte aan haar kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit dan ook bewezen.
 

Bewezenverklaring

Zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1 van de Wet dieren, begaan door een rechtspersoon.
 

Strafoplegging

Geldboete van € 8.000 waarvan € 3.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^