Schending onschuldpresumptie door CBR
/Het zal je maar gebeuren: je wordt door de strafrechter vrijgesproken van het niet meewerken aan een blaastest, zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, Wegenverkeerswet 1994, omdat er sprake is van een persoonsverwisseling. Maar op grond van diezelfde feiten legt het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) tóch een onderzoek naar je rijgeschiktheid op. Wanneer je daar niet aan deelneemt, verklaart het CBR ook nog eens je rijbewijs ongeldig.
Is dit een theoretisch horrorscenario? Zeker niet. Dit is precies de casus die voorlag bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 11 juni 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2632). De Afdeling maakte korte metten met deze gang van zaken en oordeelde dat het CBR de onschuldpresumptie had geschonden.
De feiten en achtergrond
De zaak begon met een proces-verbaal van 28 november 2021. Volgens de politie reed een bestuurder slingerend in een Volkswagen Golf en dronk hij achter het stuur alcohol. Een van de verbalisanten stelde vast dat de bestuurder appellant zou zijn. Bij controle weigerde deze bestuurder mee te werken aan zowel een voorlopig ademonderzoek als aan de ademanalyse.
Op grond daarvan legde het CBR in december 2021 een onderzoek naar de rijgeschiktheid op. Omdat appellant daar niet aan deelnam, volgde in september 2022 de ongeldigverklaring van zijn rijbewijs.
In de strafzaak oordeelde de politierechter echter anders. Er bestond voldoende twijfel of appellant daadwerkelijk de bestuurder was die de blaastest had geweigerd. Zo was er een getuige die verklaarde dat híj degene was die die dag was aangehouden en niet appellant. Mede daarom sprak de politierechter appellant op 26 april 2022 vrij.
Ondanks deze vrijspraak hield het CBR vast aan de ongeldigverklaring van het rijbewijs.
De onschuldpresumptie in bestuursrechtelijk verband
In hoger beroep stelde appellant dat deze handelwijze in strijd was met de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, EVRM. Deze bepaling houdt in dat een ieder voor onschuldig wordt gehouden totdat schuld in rechte is komen vast te staan.
De Afdeling bestuursrechtspraak benadrukte dat dit beginsel niet alleen geldt in strafrechtelijke procedures, maar ook doorwerkt in bestuursrechtelijke procedures, mits er samenhang is tussen beide. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (waaronder Melo Tadeu tegen Portugal, 23 oktober 2014) volgt dat een bestuursorgaan de indruk moet vermijden dat een eerdere vrijspraak onjuist zou zijn.
Het CBR baseerde zich uitsluitend op dezelfde bewijsmiddelen die ook de strafrechter had beoordeeld. Waar de politierechter concludeerde dat niet vaststond dat appellant de bestuurder was, hield het CBR tóch vast aan het standpunt dat het “voldoende aannemelijk” was dat appellant had geweigerd mee te werken. Daarmee trok het CBR feitelijk de vrijspraak in twijfel. Volgens de Afdeling is dit een duidelijke schending van de onschuldpresumptie.
Oordeel van de Afdeling
De Afdeling vernietigde het besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs en herzag dit zelf. Daarmee herstelde zij de situatie voor appellant. De bestuursrechter benadrukte dat het CBR de vrijspraak had moeten respecteren en niet had mogen vasthouden aan de kwalificatie dat appellant de bestuurder was.
De uitspraak van de rechtbank Limburg, die eerder het CBR in het gelijk had gesteld, werd eveneens vernietigd.
Schadevergoeding en proceskosten
Appellant had daarnaast verzocht om vergoeding van de kosten die hij had moeten maken voor het opgelegde onderzoek naar de rijgeschiktheid. Op dit punt ving hij echter bot. Omdat hij geen beroep had ingesteld tegen het besluit waarbij dat onderzoek was opgelegd, stond de rechtmatigheid daarvan vast. Daardoor kon niet worden geoordeeld dat die kosten het gevolg waren van een onrechtmatig besluit. Het verzoek om schadevergoeding werd daarom afgewezen.
Wel kende de Afdeling een forse proceskostenvergoeding toe. Het CBR moest ruim € 2.700 betalen voor de beroeps- en hogerberoepsprocedure en ruim € 600 voor de bezwaarfase. Ook moest het CBR het griffierecht van € 458 vergoeden.
Betekenis voor de praktijk
Deze uitspraak laat zien dat strafrecht en bestuursrecht soms wringen, vooral wanneer beide procedures stoelen op dezelfde feiten. Een bestuursorgaan kan in principe zelfstandig feiten aannemen, maar mag niet de indruk wekken dat een strafrechtelijke vrijspraak onjuist is.
Het belang voor de praktijk is groot:
Voor advocaten biedt dit handvatten om op te komen tegen bestuursrechtelijke maatregelen die na een vrijspraak worden doorgezet.
Voor bestuursorganen is dit een duidelijke waarschuwing: wie te gemakkelijk voorbijgaat aan een vrijspraak, loopt het risico dat de besluitvorming in strijd is met artikel 6 EVRM.
Voor burgers bevestigt dit dat vrijspraak niet zonder betekenis is – ook bestuursrechtelijke autoriteiten moeten deze respecteren.
Conclusie
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde in ECLI:NL:RVS:2025:2632 dat het CBR de onschuldpresumptie had geschonden door een ongeldigverklaring van het rijbewijs in stand te houden terwijl de strafrechter appellant had vrijgesproken. Het bestuursrecht kan zich niet onttrekken aan fundamentele waarborgen van het EVRM, zeker wanneer dezelfde feiten aan de orde zijn.
Deze zaak toont hoe belangrijk het is dat strafrechtelijke vrijspraken ook in het bestuursrecht serieus worden genomen – en dat het beginsel “onschuldig tot het tegendeel is bewezen” niet slechts een papieren recht is.