Rb.: Verdachte heeft zich ingelaten met frauduleuze praktijken om zodoende omzetbelasting te ontduiken

Rechtbank Zutphen 23 oktober 2012, LJN BY0843 Essentie

Verdachte heeft zich ingelaten met frauduleuze praktijken om zodoende omzetbelasting te ontduiken. Verdachte heeft weliswaar geen initiërende rol gehad maar hij heeft zich wel ingelaten met een BTW carroussel rondom medeverdachte C en medeverdachte B.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist invullen van aangiften over delen van de jaren 2005, 2006 en 2007 door zogenoemde nihilaangiften in te dienen bij de belastingdienst. Door deze onjuiste opgaven heeft verdachte ten onrechte teruggave van belastingen ontvangen waardoor de verdachte de fiscus voor een aanzienlijk bedrag heeft benadeeld (€ 875.716).

Achtergrond

Er werden auto's vanuit Duitsland intracommunautair geleverd naar Nederland. De Duitse bedrijven factureerden hun intracommunautaire leveringen uit aan diverse Nederlandse bedrijven. Het betrof onder andere de bedrijven C B.V., D B.V. en B. B.V. Van de eerste twee bedrijven waren facturen aangetroffen bij bedrijf A. De verwerver (bedrijf C, D of B) was omzetbelasting verschuldigd naar het in de lidstaat van verwerving geldende tarief. Onder bepaalde voorwaarden geldt een 0%-tarief. Door C B.V. en D B.V. zijn nimmer aangiften omzetbelasting ingediend, hoewel op de facturen van die B.V.'s aan verdachte A omzetbelasting was vermeld. Die omzetbelasting is ook nimmer afgedragen aan de fiscus. Deze omzetbelasting heeft verdachte A wel op haar aangifte als voorbelasting in aftrek gebracht.

Directeur van B B.V. heeft zelf nimmer auto's gekocht in Duitsland. B B.V. heeft derhalve nooit de macht gehad om als eigenaar over de auto's te beschikken. Er was mitsdien niet geleverd conform de bepalingen van de Wet op de omzetbelasting 1968. B B.V. kon dan ook niet doorleveren aan eenmanszaak A.

Eenmanszaak A heeft feitelijk rechtstreeks ingekocht in Duitsland. De factuurstroom is aldus geweest: Duitse leveranciers > C B.V. (later D B.V.) > verdachte A; Duitse leveranciers > B B.V. > eenmanszaak A > verdachte A.

Verdachte A wist daarvan of had moeten weten dat hij met zijn transacties deel uitmaakte van een BTW-fraude. Met name vanwege het feit dat verdachte A handelde met medeverdachte C en toch facturen accepteerde van C B.V. en D B.V., van welke BV's hij wist dat die met medeverdachte C niets te maken hadden, en het feit dat hij inkocht tegen prijzen waarvoor hij zelf de goederen in Duitsland niet kon inkopen, is verdachte A niet te goeder trouw geweest. Hij had geen recht op aftrek van voorbelasting. Desondanks heeft hij deze geclaimd. Het gaat derhalve om opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting, aldus de ambtenaar.

De rechtbank acht de aan verdachte verweten gedragingen bewezen. Verdachte is betrokken geraakt bij de activiteiten van medeverdachte C en medeverdachte B. Met medeverdachte C deed verdachte al vele jaren zaken. Terwijl hij zaken deed met medeverdachte C en medeverdachte B ontving hij facturen van auto's op namen van verschillende bedrijven. Verdachte zou hierover wel navraag hebben gedaan bij de Kamer van Koophandel en kopieën van het rijbewijs van directeur van D B.V. hebben gezien. Hoewel uit onderzoek door verdachte bleek dat er iets niet klopte, is hij toch doorgegaan met zakendoen met medeverdachte C en medeverdachte B. Ook de omstandigheid dat de inkoopprijzen van de auto's niet klopten, was voor verdachte geen aanleiding om te stoppen.

Verdachte heeft verklaard dat door het grote prijsverschil alarmbellen bij hem hadden moeten afgaan, maar dat hij het wel mooie handel vond. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij pas tijdens het verhoor van de FIOD begreep dat er iets niet klopte met de BTW en dat hij zich dat eerder niet bewust is geweest. De rechtbank hecht echter meer waarde aan de diverse opvolgende en consistente verklaringen van verdachte tegenover de FIOD afgelegd, waaruit wordt afgeleid dat hij tijdens het zaken doen met medeverdachte B en medeverdachte C wel in de gaten had dat de inkoopprijs niet kon kloppen. Sterker nog, verdachte heeft zelf verklaard dat hij destijds aan medeverdachte C had gevraagd of die wat met de BTW deed.

Ten aanzien van het handel drijven met eenmanszaak A overweegt de rechtbank het volgende. Weliswaar deed verdachte in die periode niet langer zaken met verschillende vennootschappen waar verschillende natuurlijke personen - niet zijnde medeverdachte B of medeverdachte C - achter zaten, zodat geoordeeld zou kunnen worden dat verdachte in zoverre geen argwaan hoefde te hebben, maar gelet op het feit dat hij daarvóór wel zaken deed met verschillende BV's en het feit dat de methode van handel drijven, inclusief de lage inkoopprijzen en de BTW aftrek van [eenmanszaak A], gelijk was aan de periode voorafgaand aan de handel met eenmanszaak A, acht de rechtbank ook dit onderdeel bewezen.

De aangiften omzetbelasting heeft verdachte elektronisch ingediend en onjuist en onvolledig ingevuld op basis van onder meer informatie van medeverdachte C en de (onjuiste) facturen van de verschillende vennootschappen. Door aldus te handelen, heeft verdachte feitelijk leidinggegeven aan het plegen van een strafbaar feit. Gelet op het vorenstaande wist verdachte dat hij zich aldus inliet met een strafbaar feit althans heeft hij ten minste in voorwaardelijke zin de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij zich daarmee zou inlaten. Ten aanzien van het verweer omtrent de plaatsaanduiding, overweegt de rechtbank dat verdachte de aangiften elektronisch heeft ingediend, zodat bewezen kan worden verklaard dat het strafbare feit in Nederland heeft plaatsgevonden.

 

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF