Rb. spreekt vrij: slechts 1 getuige. Hof veroordeelt tot 5 jaar. HR: schakelbewijs van 2 aangeefsters is steunbewijs.

Hoge Raad 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1216

De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar wegens met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 1 en 2) enmet iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd (feit 3).

Het hof heeft onder het hoofd “Overwegingen omtrent het bewijs voor het ten laste gelegde” het volgende overwogen:

“Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan - kort gezegd - seksueel misbruik van zijn stiefdochter betrokkene 2 (hierna te noemen: betrokkene 2 ) en zijn dochter betrokkene 1 (hierna te noemen: betrokkene 1 ), zoals nader is gepreciseerd in de hiervoor opgenomen tenlastelegging. Verdachte heeft dit misbruik van meet af aan ontkend. Na een vordering van de officier van justitie tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde en verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, en een verzoek tot vrijspraak zijdens de verdediging wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs, heeft de rechtbank verdachte bij vonnis van 22 september 2014 vrijgesproken van de gehele tenlastelegging. In genoemd vonnis wordt uiteengezet dat er weliswaar geen aanleiding is om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de (getuigen)verklaring van betrokkene 1 en de aangifte van betrokkene 2, maar dat er onvoldoende steunbewijs is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank heeft daarbij met name gelet op het bepaalde in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waarin wordt bepaald dat het bewijs dat een ten laste gelegd feit is begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. De officier van justitie is van dat vonnis in hoger beroep gekomen, welk appel nader is onderbouwd bij schriftuur van 10 oktober 2014.

Ter terechtzitting van het hof van 5 november 2015 is de zaak inhoudelijk behandeld. De advocaat-generaal heeft op die zitting gerequireerd conform de vordering in eerste aanleg. De raadsvrouw heeft het woord ter verdediging gevoerd en andermaal om vrijspraak verzocht wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.

Het hof heeft het onderzoek gesloten, maar bij tussenarrest van 19 november 2015 heropend. Op grond van de betwisting zijdens de verdediging van de betrouwbaarheid van de aangifte van betrokkene 2 en de verklaring van betrokkene 1 achtte het hof het wenselijk dat zij beiden onder ede door een gedelegeerd raadsheer-commissaris zouden worden gehoord. Deze verhoren hebben op 18 februari 2016 plaatsgevonden. Zowel betrokkene 2 als betrokkene 1 hebben hun ten overstaan van verbalisanten afgelegde verklaringen bij die gelegenheid bevestigd. betrokkene 1 heeft aangegeven haar eerder afgelegde getuigenverklaring alsnog te willen aanmerken als een aangifte van het jegens haar door haar vader begane misbruik.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van betrokkene 2 en betrokkene 1

De beantwoording van de vraag of de aangiftes van betrokkene 2 en betrokkene 1 als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt is van cruciaal belang in de onderhavige procedure, temeer daar de inhoud van die aangiftes diametraal staat tegenover de stellige ontkenning van de zijde van verdachte.

Volledigheidshalve stelt het hof vast dat de raadsvrouw haar ter terechtzitting van 5 november 2015 gedane (subsidiaire) verzoek om een deskundigenonderzoek te gelasten naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van betrokkene 2 en betrokkene 1 ter terechtzitting van 3 mei 2016 niet heeft herhaald. Gelet hierop en op de afwijzing van het betreffende verzoek bij tussenarrest van 19 november 2015, houdt het hof het ervoor dat de raadsvrouw haar eerdere verzoek niet handhaaft. Ook ambtshalve ziet het hof geen aanleiding of noodzaak tot een dergelijk onderzoek.

Verdachte kwalificeert de verklaringen van aangeefsters als een 'opeenstapeling van leugens', waarmee ze hem kapot willen maken. Desgevraagd kan verdachte geen verklaring of motief bedenken voor de in zijn ogen valse beschuldigingen. Hij zegt een goede vader te zijn geweest en zijn kinderen netjes te hebben opgevoed. Hij heeft zijn best gedaan en hen nooit geslagen of mishandeld. Verdachte zegt er stellig van overtuigd te zijn dat betrokkene 1, uit loyaliteit met haar oudere zus, is meegegaan in de valse aangifte van betrokkene 2.

De raadsvrouw heeft - onder meer - aangevoerd dat de gedetailleerde aangifte van betrokkene 2 niets zegt over het waarheidsgehalte ervan. De raadsvrouw verwijst voorts naar de aan het dossier toegevoegde brief van betrokkene 2 aan haar ouders - vermoedelijk geschreven in 2006, in elk geval geruime tijd nadat zij de ouderlijke woning had verlaten - waarin zij haar ouders bedankt voor de haar gegeven opvoeding en haar spijt betuigt over haar gedrag. Bij betrokkene 1 is kennelijk sprake van diverse soorten problematiek, tot uiting komend in het meermalen weglopen van huis, loverboy-connecties, geheugentekorten en een gesloten plaatsing in jeugdinrichting Het Poortje, hetgeen - zo suggereert de raadsvrouw - een zeker licht werpt op de betrouwbaarheid van haar verklaringen. Voorts is betrokkene 1 - zij het tijdelijk - teruggekomen op haar bewering seksueel misbruikt te zijn door haar vader.

De raadsvrouw stelt zich voorts op het standpunt dat de verhoren van betrokkene 2 en betrokkene 1 door de raadsheer-commissaris de betrouwbaarheid van hun verklaringen verder heeft ondermijnd, nu deze hetzij afwijken van hetgeen zij ten overstaan van verbalisanten hebben verklaard, hetzij ongeloofwaardig dan wel onduidelijk of oppervlakkig zijn. Ook in de visie van de raadsvrouw heeft betrokkene 1 een verklaring afgelegd om 'haar zus er niet mee te laten zitten', waarbij wordt aangetekend dat ook de aangifte van betrokkene 2 - opnieuw - onbetrouwbaar moet worden geacht. Het hof verwijst in dit verband naar de pleitnota's, zoals die door de raadsvrouw zijn overgelegd ter terechtzittingen van 5 november 2015 en 3 mei 2016.

Het hof overweegt hierover het navolgende.

In alle strafzaken dienen aangiftes kritisch, zorgvuldig en behoedzaam te worden bezien. Dit geldt temeer in zedenzaken, waarin doorgaans naast aangever en verdachte geen getuigenverklaringen voorhanden zijn. In de onderhavige zaak volgt het hof de conclusie van de rechtbank dat de verklaringen van betrokkene 2 en betrokkene 1 als betrouwbaar zijn aan te merken. De gedetailleerdheid van de aangifte van betrokkene 2 brengt weliswaar op zichzelf niet zonder meer de vereiste betrouwbaarheid mee, de wijze echter waarop zij misbruikincidenten telkens verbindt met objectieve en/of erkende feiten en/of persoonlijke waarnemingen (zoals de zwangerschappen van haar moeder, de verhuizingen van het gezin, de seizoenen, de sfeer in het gezin en de rol van haar stiefvader daarin, de werkkringen en ploegendiensten van haar stiefvader, de slaapgewoontes van haar ouders) doet dat - in samenhang met de door betrokkene 2 genoemde details van het misbruik - wel. De door de raadsvrouw genoemde brief van betrokkene 2 aan haar ouders acht het hof niet redengevend voor de beweerdelijke onbetrouwbaarheid van de aangifte, nog afgezien van de daarvoor door betrokkene 2 gegeven verklaring.

Wat betrokkene 1 betreft, heeft het hof gelet op de door haar telkens getoonde loyaliteitsproblemen ten opzichte van, met name, haar ouders. De daarmee gepaard gaande verscheurdheid kan haar (aanvankelijke) terughoudendheid en ambivalentie verklaren. Zo zegt betrokkene 1 nog van haar vader te houden en haar moeder en haar zusje betrokkene 3 hun echtgenoot en vader niet te willen ontnemen. Bovendien gaat zij er - evenals overigens betrokkene 2 - vanuit dat haar vader het misbruik zal ontkennen en zal trachten hen te manipuleren. Voorts zijn er aanwijzingen dat haar moeder druk op betrokkene 1 heeft uitgeoefend om haar verklaringen in te trekken. Zie proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 94.

De wijze waarop betrokkene 1 de aanvang van het misbruik in de nacht, volgend op haar zesde verjaardag, heeft verwoord (bewijsmiddel 4), is authentiek. Dat zij in haar (vroege) puberteit min of meer is ontspoord ondermijnt naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van haar verklaringen niet.

Het hof deelt evenmin de visie van de raadsvrouw, als zouden betrokkene 2 en betrokkene 1 ten overstaan van de raadsheer-commissaris een (geheel) andere verklaring hebben afgelegd. Het gaat om geringe afwijkingen van hun eerder tegenover verbalisanten afgelegde verklaringen op volledig ondergeschikte punten. Ten overstaan van verbalisanten heeft betrokkene 1 aangegeven (zie bewijsmiddel 4) dat zij de voorkeur geeft aan het beantwoorden van vragen en moeite heeft met uit zichzelf vertellen over hetgeen er is gebeurd.

In dit verband acht het hof het van belang dat betrokkene 1 bij de raadsheer-commissaris heeft aangegeven thans in staat te zijn haar twee jaar eerder afgelegde getuigenverklaring aan te merken als een aangifte. Dat het pijnlijke proces van 'disclosure' bij betrokkene 1 een andere uitingsvorm en fasering heeft dan bij betrokkene 2 dient beiden niet te worden tegengeworpen. Dat geldt evenzeer voor de niet op alle onderdelen overeenkomende seksuele handelingen van verdachte, zoals die uit de verklaringen van aangeefsters naar voren komen. Niet onaannemelijk is dat deze verschillen - sommige van de jegens betrokkene 2 gepleegde handelingen zijn extremer dan die jegens betrokkene 1 zijn begaan - verband houden met het feit dat verdachte bij betrokkene 1 gestopt is met het misbruik toen zij 11 jaar oud was en zichzelf ging beschadigen en bij betrokkene 2 pas op of omstreeks haar 17e jaar.

Door en namens verdachte is aangegeven dat de verklaringen van betrokkene 1 louter voortkomen uit loyaliteit met betrokkene 2. Zij zou onder invloed staan van haar oudere zus en zich genoodzaakt voelen betrokkene 2 te ondersteunen in haar (valse) aangifte door zelf ook een valse aangifte te doen van vermeend eigen misbruik.

Het hof ziet voor dit scenario geen enkel aanknopingspunt in de processtukken. Uit het dossier blijkt dat betrokkene 2 in of omstreeks het jaar 2004 de ouderlijke woning heeft verlaten om zelfstandig te gaan wonen. Zij heeft toen het misbruik naar eigen zeggen 'in een potje weggestopt en er met niemand, ook niet met haar levenspartner, met wie zij in 2006 een gezin is begonnen, over gesproken. Problemen met haar zoontje wegens seksueel grensoverschrijdend gedrag tegenover zijn zusjes en contacten daarover met het bureau Inter-Psy (bewijsmiddelen 1 en 7) hebben betrokkene 2 in september 2013 zodanig uit haar (relatieve) evenwicht gebracht dat zij tegenover de psychologe van haar zoontje voor het eerst het haar overkomen misbruik heeft genoemd. Niet in te zien valt dat zij, reeds jarenlang uit de invloedssfeer van verdachte en op dat moment nog onkundig van het seksueel misbruik van haar zusje betrokkene 1, om welke beweegredenen dan ook tot een dergelijk verzinsel zou komen. Ook betrokkene 2 heeft nadien nog enkele maanden geaarzeld of zij aangifte zou doen, gelet op alle voorzienbare en onvoorzienbare gevolgen.

Uit de stukken valt af te leiden dat betrokkene 1, eveneens onwetend aangaande het misbruik van betrokkene 2, voor het eerst gesproken heeft over het haar overkomen misbruik toen zij in verband met haar Ioverboycontacten een gesprek had met medewerkers van het Regionaal Uitbuiting Interventie Team (RUIT). Dat was op 12 november 2013. Zie de inleiding op het informatieve gesprek op dossierpagina 63. De moeite die ook betrokkene 1 vervolgens heeft gehad om verder gevolg te geven aan haar 'disclosure' is reeds aan de orde geweest. In januari 2014 hebben betrokkene 2 en betrokkene 1 voor het eerst en uiterst globaal met elkaar gesproken over het feit dat zij beiden door hun (stief)vader seksueel waren misbruikt.

Uit het vorenstaande volgt dat aangeefsters, door de omstandigheden waarin zij zich op dat moment elk voor zich bevonden daartoe 'getriggerd', onafhankelijk van elkaar en onkundig van elkaars misbruik hun verhaal hebben gedaan. De beweerdelijke beïnvloeding van betrokkene 2 in de richting van betrokkene 1 is derhalve niet aan de orde. Het hof acht de verklaringen van aangeefsters voorts, ook waar het betrokkene 1 betreft, consistent en gedetailleerd. De op het punt van de betrouwbaarheid zijdens de verdediging gevoerde verweren worden dan ook verworpen.

Het steunbewijs

Zoals gezegd is verdachte in eerste aanleg vrijgesproken vanwege onvoldoende steunbewijs voor de op zichzelf ook door de rechtbank betrouwbaar geachte aangiften. Het hof constateert, evenals de rechtbank, dat betrokkene 2 en betrokkene 1 niet kunnen verklaren over elkaars misbruik bij gebrek aan wetenschap destijds. De verklaringen van betrokkene 7 en getuige, die zij op grond van hun professionele betrokkenheid bij aangeefsters hebben afgelegd (zie de bewijsmiddelen 7 en 8), bevestigen weliswaar onderdelen van de verklaringen van betrokkene 2 en betrokkene 1 en zijn in die zin van belang, maar eveneens onvoldoende toereikend om als steunbewijs te dienen.

De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, laat zich niet - zo blijkt uit op dit punt relevante jurisprudentie van de Hoge Raad - in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Alle aspecten van de onderhavige strafzaak beziende is het hof, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de aangifte van de één in dit geval zeer wel kan dienen als steunbewijs voor die van de ander. De omstandigheid dat er sprake is van twee afzonderlijke, betrouwbaar geachte aangiftes van soortgelijke, zo niet identieke delicten tegen dezelfde verdachte kan in deze zaak tot geen andere conclusie leiden dan dat deze elkaar over en weer, niet alleen in feitelijke, maar ook in bewijstechnische zin, ondersteunen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de hierna opgenomen bewijsmiddelen kan niet worden gesproken van slechts één bron. De evidente samenhang tussen beide bronnen zou daarmee ten onrechte worden miskend.

Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en bezigt daarbij de navolgende bewijsmiddelen.”
 

Middelen

Het eerste middel klaagt dat het hof voor het bewijs van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde gebruik heeft gemaakt van een zogenoemde schakelbewijsconstructie, terwijl aan de voorwaarden daarvoor niet is voldaan. Het tweede middel klaagt dat het hof in strijd heeft gehandeld met de bewijsminimumregel van art. 342, tweede lid, Sv doordat het hof het bewijs dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan uitsluitend heeft aangenomen op verklaringen van de aangeefster betrokkene 1. Het derde middel bevat eenzelfde klacht met betrekking tot het bewijs van de feiten 2 en 3, dat uitsluitend zou steunen op de verklaringen van de aangeefster betrokkene 2. De middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
 

Beoordeling Hoge Raad

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval. De Hoge Raad kan daarom geen algemene regels geven over de toepassing van art. 342, tweede lid, Sv, maar daaromtrent slechts tot op zekere hoogte duidelijkheid verschaffen door het beslissen van concrete gevallen. Opmerking verdient nog dat het bij de in cassatie aan te leggen toets of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, van belang kan zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dat het geval is, nader heeft gemotiveerd (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM2452, NJ 2010/515).

In het onderhavige geval kan niet worden gezegd dat de tot bewijs gebezigde verklaringen van aangeefster betrokkene 1 met betrekking tot feit 1 en aangeefster betrokkene 2 met betrekking tot feit 2 en feit 3 onvoldoende steun vinden in het overige bewijsmateriaal, in aanmerking genomen dat het Hof ten aanzien van deze feiten niet onbegrijpelijk heeft vastgesteld dat de verklaringen van de aangeefsters elkaar over en weer ondersteunen wat betreft de aard van de ontuchtige handelingen gepleegd door de verdachte en de wijze waarop die handelingen in de woning van de verdachte plaatsvonden terwijl het Hof in de bewijsvoering tevens heeft betrokken de verklaring van de getuige getuige (bewijsmiddel 8). Anders dan in het tweede en het derde middel wordt betoogd, is van schending van art. 342, tweede lid, Sv geen sprake. De bewezenverklaringen zijn voldoende naar de eis der wet met redenen omkleed.

De middelen falen.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF