Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 32, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet door een rechtspersoon

Rechtbank Limburg 5 december 2014, ECLI:NL:RBLIM:2014:10522

Op 19 maart 2012 is slachtoffer, als gevolg van de brand in de timmerfabriek van verdachte, komen te overlijden.

Voorvragen

Door de raadsman is betoogd dat de dagvaarding (deels) nietig dient te worden verklaard nu deze innerlijk tegenstrijdig is. De verdediging ziet niet in hoe het al dan niet hebben van een risico-inventarisatie en -evaluatie en een explosieveiligheidsdocument in enig rechtstreeks verband kan staan tot levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer.

De rechtbank acht de dagvaarding voldoende bepaald en duidelijk, waardoor deze voldoet aan de in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. Daarnaast is de rechtbank reeds voorshands van oordeel dat het vroegtijdig herkennen van veiligheidsrisico's in ieder geval een bijdrage levert aan uiteindelijk het voorkomen van levensgevaar of ernstige gezondheidsschade. Of dit in deze zaak daadwerkelijk het geval en relevant is, maakt deel uit van de vragen die de rechtbank op grond van artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering moet beantwoorden. De rechtbank zal het verweer van de raadsman mitsdien verwerpen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op grond van de inhoud van het Proces-verbaal Arbeidsomstandigheden van de Inspectie SZW van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de getuigenverklaringen afgelegd bij de rechter-commissaris en de behandeling ter terechtzitting, het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht het tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen zodat verdachte dient te worden vrijgesproken. Het proces-verbaal van de Inspectie SZW is, gelet op de verklaringen van de deskundigen op zitting, zodanig ondeugdelijk dat het niet voor het bewijs kan worden gebezigd. Hij heeft voorts betoogd dat er geen sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet, dat verdachte de schadelijke gevolgen wel zoveel mogelijk heeft beperkt en dat er geen verband bestaat tussen het tenlastegelegde handelen of nalaten en het ontstaan van levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat het verweer van de raadsman ter zake de deugdelijkheid van het proces-verbaal van de Inspectie SZW weliswaar is gevoerd met een verwijzing naar de verklaringen van de beide deskundigen ter terechtzitting, doch dat naar het oordeel van de rechtbank uit die verklaringen niet kan worden afgeleid dat het proces-verbaal ondeugdelijk is. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

Bij het beoordelen van de achtereenvolgende delen van de tenlastelegging stelt de rechtbank voorop dat de werkzaamheden werden verricht onder gezag, zodat er sprake was van een werkgever-werknemersrelatie in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet. slachtoffer verrichtte immers werkzaamheden in het kader van een opleidingsstage, op basis van een leerlingen stage overeenkomst tussen de onderwijsinstelling, bedrijfsnaam en slachtoffer zelf. De werkzaamheden bestonden deze dag onder andere uit het zagen van stroken parkethout.

Risico-inventarisatie en evaluatie

Op grond van artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet legt de werkgever bij voeren van zijn arbeidsomstandighedenbeleid in een risico-inventarisatie en evaluatie (verder te noemen: RIE) schriftelijk vast welke risico's de arbeid met zich brengt.

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat er wel een RIE aanwezig was, opgemaakt in 2007 na de (terug)verhuizing naar Elsloo en dat deze bij de brand verloren is gegaan. Verdachte heeft weliswaar bij zijn eerste verhoor aangegeven dat er geen RIE was opgemaakt maar gelet op wat verdachte hieromtrent ter zitting heeft gezegd, zal de rechtbank hiervan wel uitgaan. Te meer ook nu, naar verdachte onbestreden heeft gezegd, er inspecties hebben plaatsgevonden door gemeente, brandweer en Arbeidsinspectie en er met name niet blijkt van het ontbreken van een RIE in een eerder rapport van de Arbeidsinspectie, althans geen rapport is overgelegd waaruit anderszins blijkt. Voorts verklaart de door de rechter-commissaris gehoorde getuige getuige 2, die belast was met de (verder te noemen: RIE), administratie van verdachte, eveneens dat bedoelde schriftelijke vastlegging in een RIE wel heeft plaatsgevonden.

Verdachte zal van dat onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Explosieveiligheidsdocument

Er werd bij verdachte gebruik gemaakt van een houtstofafzuigsysteem (waarin opgenomen een houtstof filterinstallatie), zijnde een installatie waarin het ontstaan van een explosieve atmosfeer niet voorkomen kan worden. Wanneer gevaren met explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit voortvloeien aanwezig zijn, worden in het kader van een RIE voor de aanvang van de arbeid en bij iedere belangrijke wijziging, uitbreiding of verbouwing van de arbeidsplaats, de arbeidsmiddelen of het arbeidsproces, deze gevaren in hun geheel beoordeeld en schriftelijk vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument, als bedoeld in artikel 3.5c van het Arbeidsomstandighedenbesluit.

Verdachte heeft ter terechtzitting, ook desgevraagd, niet verklaard dat er een explosieveiligheidsdocument was opgemaakt en hij gaf daarbij te kennen dat het opmaken van een stuk, naast en anders dan het formulier van de RIE hem niets zei. Hij heeft tevens ter terechtzitting verklaard enkel de instructie van het installatiebedrijf te hebben opgevolgd, te weten het verhogen van het plafond zodat de installatie kon worden geplaatst. Hij ging er vanuit dat de installatie na plaatsing veilig was.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in strijd met het bepaalde in artikel 3.5c lid 1 van het Arbeidsomstandighedenbesluit de gevaren in verband met explosieve atmosferen en de bijzondere risico’s die daaruit kunnen voortvloeien niet eigenstandig heeft beoordeeld en schriftelijk heeft vastgelegd in een explosieveiligheidsdocument.

Beperken schadelijke gevolgen explosie

Per december 2004 is een NEN-norm, te weten NEN-EN 12779 betreffende houtstofafzuiging / houtstoffilterinstallaties, effectief geworden. Hierin wordt aangegeven aan welke ontwerpeisen een afzuiginstallatie dient te voldoen. Deze norm geldt alleen voor installaties met een capaciteit groter dan 6000 m3/h. De betreffende installatie had een capaciteit van 14000 m3/h.

De norm schrijft voor dat de installatie in beginsel buiten het gebouw opgesteld dient te worden. De installatie moet worden voorzien van drukontlastingselementen die een schokgolf volgend op een explosie op een veilige manier naar buiten toe kunnen afleiden. De uitwerpzone mag in ieder geval nergens geheel of gedeeltelijk een werkzone overlappen. De rechtbank kan het begrip 'naar buiten', zoals hiervoor gebezigd, in de context van de gehele norm niet anders verstaan dan dat dit moet worden begrepen als 'naar buiten het gebouw'.

Vast staat dat er voor deze machine geen afvoer naar buiten aanwezig was. Immers, door verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat het dak is verhoogd omdat de houtstofafzuiginstallatie, die één op één verhuisd moest worden van de locatie in Stein naar die in Elsloo, net niet paste. Daarbij zijn geen openingen naar de buitenlucht aangebracht. Het was haar niet bekend dat er nog verdere aanpassingen nodig waren.

In de offerte voor de verhuizing van betrokkene van 25 augustus 2006 wordt ook uitdrukkelijk gemeld dat de installatie zal moeten voldoen aan de NEN 12779.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het vorenstaande in strijd met het bepaalde in artikel 3.5d lid 2 onder b van het Arbeidsomstandighedenbesluit, indien het voorkomen van het ontstaan van een explosieve atmosfeer, gezien de aard van het werk niet mogelijk is, niet de schadelijke gevolgen van een explosie zijn beperkt, in dit geval doordat geen voorzieningen zijn aangebracht waardoor een schokgolf volgend op een explosie op een veilige manier naar buiten konden worden afgeleid.

Conclusie

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet, alsmede de daarop berustende bepalingen. Het gaat dan, kort gezegd, om het ontbreken van een drukafvoer naar buiten en het ontbreken van een explosieveiligheidsdocument.

Ook acht de rechtbank op grond van het voorgaande en hetgeen hierna wordt overwogen bewezen dat hij redelijkerwijs moest weten dat door zijn nalaten levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van zijn werknemer ontstond en te verwachten was.

Verdachte voert een timmerbedrijf en moet uit dien hoofde geacht worden op de hoogte te zijn van de gevaren van het werken met bepaald werk, met bepaalde machines, zoals de houtstofafzuiginstallatie, en moet zich ook op de hoogte stellen en houden van veiligheidsvoorschriften. Te meer heeft dit te gelden als onder de hoede van verdachte werknemers, al dan niet als stagiaire, binnen het bedrijf werkzaamheden verrichten.

Door verdachte is aangevoerd dat hij bij de verhuizing van zijn bedrijf eind 2006 begin 2007 aan betrokkene, zijnde de oorspronkelijke leverancier van houtstofafzuiginstallatie, opdracht heeft gegeven de installatie op het oude adres af te breken en deze één op één te installeren in het pand aan adres 2 te Elsloo. Verdachte is er altijd van uit gegaan dat zulks ook daadwerkelijk door betrokkene is gedaan. Derhalve kan niet gesproken worden van opzet in welke vorm dan ook en treft hem ook geen verwijt.

Naar het oordeel van de rechtbank miskent verdachte door deze zienswijze de verantwoordelijkheid en zorgplicht die als werkgeefster op haar rust omtrent de veiligheid van het personeel. Door het verhuizen van de installatie was er hoe dan ook een nieuwe situatie ontstaan, welke situatie zo veilig mogelijk moest zijn en waarbij in elk geval moest zijn voldaan aan de op dat moment geldende veiligheidsnormen. Verdachte had zich meer moeten verdiepen in de gevolgen van de verhuizing voor de veiligheidssituatie en zich er van moeten vergewissen dat de installatie overeenkomstig de geldende, aangescherpte richtlijnen opnieuw was geïnstalleerd. Het maken van een explosieveiligheidsdocument had daarbij een belangrijke functie kunnen hebben. Hij kan deze verantwoordelijkheid niet afschuiven op een ander, in dit geval betrokkene. Het feit dat het jarenlang goed is gegaan en dat bij inspecties niets aan het licht is gekomen maakt zulks uiteraard niet anders en ontslaat hem niet van zijn verplichting en verantwoordelijkheid. Verdachte heeft door zijn nalaten strafbaar gehandeld.

Hoewel, gelet op de inhoud van artikel 32, lid 2, van de Arbeidsomstandighedenwet ten tijde van het plegen van het feit, niet noodzakelijk, heeft de officier het ‘al dan niet opzettelijk’ plegen van het feit ten laste gelegd. Bij economische delicten is sprake van het zogenaamde kleurloos opzet en met de hierboven gegeven overweging is ook dat opzet, hoewel onnodig, bewezen te verklaren.

Bewezenverklaring

Overtreding van voorschriften, gesteld bij of krachtens artikel 32, lid 1, van de Arbeidsomstandighedenwet, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van verdachte

Door de verdachte is subsidiair een beroep gedaan op de afwezigheid van alle schuld, omdat er sprake was van verontschuldigbare (feitelijke of rechts) dwaling. Verdachte stelt daartoe dat zij er op mocht vertrouwen dat het door haar ingeschakelde bedrijf, betrokkene, alles volgens de regels had geïnstalleerd. Ook wordt hierbij opgemerkt dat verdachte jarenlang met de installatie heeft gewerkt en dat (veiligheids-)inspecties van brandweer, gemeente, Arbodienst en verzekering telkens alles in orde bevonden.

Dit verweer vindt zijn verwerping in hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen.

Strafoplegging

De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een geldboete van € 30.000,00, waarvan € 15.000,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

De strafeis wordt door de officier van justitie gebaseerd op de ernst van het feit, welke ernst door hem in belangrijke mate wordt gemotiveerd door het overlijden van [slachtoffer], dat volgens hem het gevolg is geweest van het bewezenverklaarde. Door de keuze een overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet aan verdachte ten laste te leggen, welke overtreding de rechtbank in ieder geval deels ook bewezen heeft verklaard en ook een misdrijf oplevert, heeft de rechtbank geen oordeel kunnen vellen over het causale verband tussen (de oorzaak van) de brand en de dood van [slachtoffer]. Als gevolg daarvan kan en mag de rechtbank verdachte daar dan niet vervolgens toch voor straffen, hetgeen reden is om de strafeis niet te volgen.

Daarnaast zal de rechtbank een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, omdat het wettelijke strafmaximum ten tijde van het bewezenverklaarde feit lager was dan thans gevorderd; dit strafmaximum bedroeg € 19.500,00.

Voorts gaat de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet uit van het bewust in de wind slaan van waarschuwingen, maar veeleer van een te gemakkelijke en onvoldoende aandachtige houding van verdachte. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte er nooit rekening mee heeft gehouden dat hetgeen in deze zaak is gebeurd, het gevolg zou kunnen zijn van haar nalatig handelen.

De rechtbank is echter wel, als reeds gezegd, van oordeel dat verdachte de verantwoordelijkheid en zorgplicht omtrent de veiligheid van het personeel die als werkgeefster op haar rustte, niet is nagekomen. De rechtbank rekent dat verdachte ernstig aan.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 15.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF