Opzettelijke overtreding van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon: Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel

Gerechtshof Amsterdam 29 september 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:3969

Niet-ontvankelijkheidsverweer

De raadsman heeft bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie niet in redelijkheid, bij afweging van alle betrokken belangen, genomen had kunnen worden. Waar de voor de verontreiniging verantwoordelijke exploitant 25 jaar lang buiten handhaving en vervolging is gebleven is daarmee de vervolging van de verdachte in strijd met het gelijkheidsbeginsel, aldus de raadsman.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft op dit punt aangevoerd dat de verdachte bij aankoop van het perceel al wist dat de brandstoftanks gesaneerd moesten worden, hetgeen ook van invloed is geweest op de aankoopprijs. De beslissing tot vervolging is niet reeds op dat moment genomen, echter pas na verloop van tijd waarin de verdachte had nagelaten te handelen naar de verplichting tot sanering over te gaan. De belangenafweging die op dat moment gemaakt is, rechtvaardigt de vervolgingsbeslissing van het openbaar ministerie, aldus de advocaat-generaal.

Overwegingen en oordeel van het hof

Op 18 februari 2008 is het perceel adres 2 te ’t Veld bij openbare verkoping verkocht. Op 19 maart 2008 is het perceel op naam van de verdachte ingeschreven bij het Kadaster. In de veilingbrochure stond reeds vermeld ‘dat de huidige eigenaar binnenkort wordt aangeschreven om onmiddellijk over te gaan tot sanering van de ondergrondse brandstoftanks en de bodemverontreiniging ter plaatse’, en voorts ‘dat deze saneringsplicht over gaat op de koper’. Op 12 februari 2008 – derhalve vóór de aankoop van het perceel door de verdachte – is door de Milieudienst een ‘voornemen last onder dwangsom’ uitgevaardigd tegen de toenmalig eigenaar van het perceel, teneinde de ondergrondse tanks buiten gebruik te stellen. De bestuurlijke handhaving teneinde de brandstoftanks te saneren, had derhalve al een aanvang genomen tegen de vorige eigenaar van het perceel, zij het pas op een laat moment. Op grond van deze feiten en omstandigheden is het hof – met de advocaat-generaal – van oordeel dat de beslissing tot vervolging van de verdachte niet in strijd is geweest met het gelijkheidsbeginsel. Het verweer wordt verworpen.

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Voort durend delict

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, aangezien de tenlastelegging ziet op een door een ander dan de verdachte veroorzaakte historische bodemverontreiniging, zodat niet bewezen kan worden dat door het handelen of nalaten van de verdachte nadelige gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of konden ontstaan.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe dat het aan de verdachte tenlastegelegde feit een voort durend delict betreft dat ziet op het handelen, dan wel nalaten van de verdachte in een periode ná het ontstaan van de bodemverontreiniging, en niet op het veroorzaken van de verontreinigende situatie.

Periode

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe – zakelijk weergegeven – aangevoerd dat de verdachte in de gehele tenlastegelegde periode met betrekking tot de brandstoftanks alle redelijkerwijs van haar te vergen maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat nadelige gevolgen zouden (kunnen) ontstaan voor het milieu.

Door de advocaat-generaal is gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld voor het – kort gezegd – nalaten te handelen in de periode 11 april 2011 tot 14 september 2011, aangezien op 11 april 2011 aan de verdachte is medegedeeld dat een aanvullend onderzoek moest worden verricht en dat een BUS-melding moest worden gedaan bij de Provincie, hetgeen de verdachte heeft nagelaten.

Met de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat de verdachte in de periode van 19 juni 2008 tot 11 april 2011 alle redelijkerwijs van haar te verwachten inspanningen heeft verricht om te trachten te voldoen aan de verplichting tot sanering van de brandstoftanks. De verdachte zal derhalve worden vrijgesproken van deze tenlastegelegde periode.

Anders dan de advocaat-generaal is het hof echter van oordeel dat de aan de verdachte verwijtbare periode dient aan te vangen op 24 juni 2011 – in de periode tussen 11 april 2011 en 24 juni 2011 heeft verdachte immers, zoals opgedragen, aanvullend onderzoek laten doen –, zijnde de datum van de beschikbaarstelling van het aanvullende bodemonderzoek door bedrijf 3 Milieutechniek aan de verdachte. Op die datum, waarop de verdachte bekend heeft kunnen geraken met de bevindingen van bedrijf 3, inhoudende dat het grondwater ernstig verontreinigd was en er verder onderzoek noodzakelijk was naar de horizontale verspreiding van de grondwaterverontreiniging, had de verdachte naar het oordeel van het hof een BUS-melding moeten doen bij de Provincie. De heren naam 1 en 2, vertegenwoordigers van de verdachte, hebben op respectievelijk 25 oktober 2011 en 23 januari 2012 bij de politie verklaard dat aan bedrijf 3 op dat moment weliswaar de opdracht is gegeven een BUS-melding voor te bereiden, echter dat deze opdracht vervolgens namens de verdachte is ingetrokken bij gebrek aan financiële middelen. De verdachte heeft vanaf 24 juni 2011 aldus nagelaten te handelen teneinde verdere bodemverontreiniging te voorkomen, hetgeen haar kan worden aangerekend. Dit verwijtbaar nalaten is naar het oordeel van het hof geëindigd op 19 juli 2011, de dag waarop zich in de ondergrondse brandstoftanks een calamiteit heeft voorgedaan en de tanks vervolgens in overleg met de Milieudienst met zand zijn volgestort om overlast te beperken en uiteindelijk zijn verwijderd.

De raadsman heeft voorts nog bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde, voor zover dat ziet op de periode 19 juni 2008 tot het moment in maart 2011 waarop de sloop van de op het perceel staande woning voltooid was, aangezien sanering van de brandstoftanks vóór die datum feitelijk onmogelijk was. Gelet op de door het hof bewezenverklaarde periode behoeft dit verweer geen bespreking.

Bewezenverklaring 

  • Opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 10.1 van de Wet Milieubeheer,gepleegd door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 2.500,00.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 1.000,00, met een proeftijd van twee jaar.

De verdachte heeft in een tijdsbestek van ruim drie weken uit geldnood opzettelijk nagelaten vier buiten gebruik gestelde ondergrondse brandstoftanks te saneren, terwijl zij wist dat hierdoor nadelige gevolgen voor het milieu konden ontstaan.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 augustus 2016 is zij niet eerder strafrechtelijk onherroepelijk veroordeeld.

Het hof acht het, alles afwegende en in het bijzonder in ogenschouw nemende de relatief korte duur van de bewezenverklaarde periode en de inspanningen die de verdachte in de periode voorafgaand daaraan heeft verricht teneinde te pogen de brandstoftanks te saneren, raadzaam te bepalen dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak. 
 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF