Oplichting & Identiteitsfraude

Rechtbank Noord-Nederland 25 februari 2013, ECLI:NL:RBNNE:2013:2415

Verdachte heeft in een periode van tien maanden zich negen keer schuldig gemaakt aan oplichting, door op het internet goederen te koop aan te bieden en deze niet aan de kopers te leveren. Hij handelde in de meeste gevallen onder een andere naam, omdat hij onder zijn eigen naam op het internet al bekend stond als oplichter. Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank verklaard dat dit voor hem een manier was om gemakkelijk geld te verdienen. Om te verhullen dat hij zich schuldig maakte aan oplichting, heeft verdachte bovendien een valse aangifte van identiteitsfraude gedaan.

Verdachte heeft daarnaast in een tijdsbestek van enkele maanden in de straat waar hij toen woonde vele vernielingen gepleegd. Hij heeft onder meer een auto bekrast, banden van auto’s lek gestoken, buitenverlichting vernield en ruiten met stenen bekogeld. Verdachte heeft daarbij zelfs de ouders van zijn vriendin, bij wie hij inwoonde, niet gespaard. Wederom om de aandacht van zichzelf af te leiden, heeft verdachte de banden van zijn eigen auto lek gestoken en van die vernieling aangifte gedaan.

Door de oplichting heeft verdachte niet alleen velen gedupeerd, maar ook heeft hij het vertrouwen dat mensen in hem hebben gesteld op grove wijze beschaamd. Meer in algemene zin is de handel via het internet in grote mate afhankelijk van het vertrouwen dat kopers en verkopers in elkaar stellen. Ook in dat opzicht heeft het handelen van verdachte schade toegebracht. Door het doen van een valse aangifte heeft verdachte de aandacht van zichzelf afgeleid als het gaat om het achterhalen van de dader van de oplichting en de vernielingen. Daarnaast heeft hij onnodig politiecapaciteit benut. Verdachte heeft bovendien veel schade aangericht door de vernielingen. Hij heeft in de bewuste straat veel spanningen en onrust, maar ook angst veroorzaakt. De rechtbank rekent dat verdachte aan.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij drie keer eerder, in de jaren 2009 en 2010, is veroordeeld wegens oplichting.

Er is over verdachte een tweetal reclasseringsadviezen uitgebracht. Daaruit blijkt dat de reclassering op een aantal leefgebieden problemen constateert, zoals op het gebied van opleiding, werk en leren; inkomen en omgaan met geld; emotioneel welzijn; denkpatronen, gedrag en vaardigheden en houding. De reclassering stelt vast dat verdachte tot zijn daden is gekomen doordat hij niet aan de consequenties heeft gedacht en dat het hem aan vaardigheden ontbrak om zijn (financiële) problemen op een andere wijze op te lossen. Er is sprake van een positieve ontwikkeling in het leven van verdachte. Hij werkt inmiddels in een motorzaak en wordt behandeld voor zijn psychische klachten. Wel is nog sprake van een kwetsbare situatie, en wordt de kans op herhaling ingeschat als hoog gemiddeld. De reclassering adviseert om verdachte een (deels voorwaardelijke) werkstraf op leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod en een behandelverplichting.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan terwijl er nog een proeftijd liep van eerdere voorwaardelijke veroordelingen. Bovendien was de voorlopige hechtenis van verdachte voorwaardelijk geschorst toen hij twee gevallen van internetoplichting pleegde. Verdachte wekt daardoor de indruk dat hij niet alleen niet goed nadenkt voordat hij tot zijn strafbare handelen komt, maar ook dat hij zich niet veel gelegen laat liggen aan de strafrechtelijke reactie die daarop is gevolgd. Die indruk wordt versterkt doordat verdachte al eerder is veroordeeld wegens oplichting, maar desondanks opnieuw tot oplichting overgaat. Van de toen aan hem opgelegde werkstraffen heeft verdachte kennelijk onvoldoende geleerd.

De rechtbank stelt aan de andere kant vast dat verdachte zijn leven inmiddels meer op orde lijkt te hebben. Zo is een aantal van zijn schulden afgelost, zodat hij binnenkort zal worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, en heeft hij werk. Ook wordt verdachte behandeld voor zijn ADHD en psychische klachten.

Anders dan de officier van justitie heeft overwogen, vormt deze positieve wending in het leven van verdachte voor de rechtbank onvoldoende aanleiding om af te zien van de oplegging van een (deels onvoorwaardelijke) gevangenisstraf. Daarbij spelen met name de ernst van de feiten en de omstandigheid dat verdachte al eerder is veroordeeld voor oplichting en daaruit geen lering heeft getrokken een rol. Verdachte zal de consequenties van zijn daden moeten aanvaarden, ook nu het beter met hem gaat.

Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, passend en geboden.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF