OM in Maastricht na jarenlang onderzoek vastgoedfraude Joep J. door rechtbank niet-ontvankelijk verklaard: strafproces voldoet niet aan de eisen van een ‘fair trial’

De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in zijn recht tot vervolging van Joep J. en alle medeverdachten in het zogenaamde Landlord-onderzoek. Het strafproces in deze zaak voldoet namelijk niet aan de eisen van een ‘fair trial’, zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens.

De rechtbank heeft meerdere onrechtmatigheden in dit strafproces geconstateerd.

1. De officier van justitie heeft, in strijd met de wet, op meerdere momenten geweigerd om te voldoen aan het bevel van de rechtbank om de door Pascal H. afgelegde verklaringen aan het dossier toe te voegen dan wel aan de rechter-commissaris te geven ter inzage.

De verklaringen die door getuige Pascal H. in 2009 waren afgelegd en die in deze procedure ook wel de ‘kluisverklaringen’ zijn gaan heten, zijn tot op heden geheim gebleven. Pascal H. heeft in 2009 bedongen dat het Openbaar Ministerie zijn verklaringen niet zou gebruiken zonder zijn toestemming. Die toestemming heeft hij nooit gegeven.

Voor de verdediging (en de rechtbank) zijn deze verklaringen van belang om te kunnen toetsen of Pascal H. informatie verstrekt heeft die ontlastend is voor Joep J. en/of zijn medeverdachten en of informatie van H. gebruikt is in het verdere opsporingsonderzoek.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de verklaringen van H. niet aan het dossier kán toevoegen omdat dat in vonnissen van de civiele rechter werd verboden. Dat kan zo zijn, maar dat mag niet betekenen dat de verdachten in deze strafzaak daar de dupe van zijn. Het recht op kennisname van alle voor een strafzaak relevante stukken is een voorwaarde voor een eerlijk proces.

Het is bovendien in strijd met het wettelijk systeem wanneer een officier van justitie in een strafzaak weigert om bevelen van de strafrechter uit te voeren.

Omdat de officier van justitie weigerde de bevelen van de rechtbank uit te voeren, heeft de rechtbank nog gezocht naar een alternatieve manier om de verdediging kennis te laten nemen van de verklaringen van Pascal H. Om die reden zijn twee officieren van justitie, drie opsporingsambtenaren en Pascal H. zelf als getuigen gehoord bij de rechter-commissaris. Deze verhoren hebben naar het oordeel van de rechtbank echter niet het gewenste resultaat opgeleverd, omdat de meeste getuigen hebben geweigerd antwoord te geven op vragen over de verklaringen van Pascal H.

De verdediging heeft in strijd met artikel 6 EVRM dus geen kennis kunnen nemen van relevante processtukken in deze procedure.

2. De rechtbank is in de loop van het strafproces meerdere keren door de officier van justitie onjuist dan wel onvolledig voorgelicht. Pas na doorvragen en/of onderzoek door de verdediging en de rechtbank is informatie boven tafel gekomen, die de officier van justitie uit eigen beweging had moeten verschaffen. Zo is pas gaande het proces duidelijk geworden dat de vier opsporingsambtenaren die betrokken zijn geweest bij het afnemen van de verklaringen van Pascal H. ook een rol hebben gespeeld in het verdere opsporingsonderzoek ‘Landlord’.

De officier van justitie heeft bij aanvang van het strafproces bovendien medegedeeld dat hetgeen Pascal H. over anderen dan Joep J. heeft verklaard, heeft gemaakt dat hij de zogenoemde ‘kluisverklaringen’ heeft mogen afleggen. Tijdens de getuigenverhoren bleek echter dat “de hoofdmoot” van de verklaringen van Pascal H. ging over Joep J.

Het is voor een eerlijk strafproces van essentieel belang dat een officier van justitie belangrijke informatie uit eigen beweging deelt met de rechtbank en de verdediging. De rechtbank en verdediging moeten bovendien kunnen vertrouwen op de juistheid van mededelingen van de officier van justitie.

3. Tijdens de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris heeft een incident plaatsgevonden. Nadat een van de politieambtenaren zijn verklaring had afgelegd, is hij op aanraden van de rechter-commissaris naar een aparte ruimte gegaan om daar rustig zijn verklaring door te lezen, voordat hij die zou ondertekenen. Achteraf bleek dat hij door een officier van justitie is meegenomen naar diens werkkamer. Daar heeft hij contact gehad met een andere officier van justitie, die zojuist zelf door de rechter-commissaris als getuige was gehoord. Deze officier van justitie heeft ‘over de schouder’ van de politieambtenaar meegelezen. Hij is bovendien met de politieambtenaar in gesprek gegaan over een onderdeel van de getuigenverklaring. Het is binnen het strafrecht een ‘doodzonde’ wanneer getuigen onderling contact hebben over hun verklaringen, omdat op die manier verklaringen onderling op elkaar kunnen worden afgestemd of getuigen kunnen worden beïnvloed. Het gedrag van deze officier van justitie is dan ook in strijd met alle beginselen van een goede procesorde.

Concluderend:

  • De officier van justitie heeft meerdere keren in weerwil van het bevel van de rechtbank en in strijd met de wet geweigerd om voor de verdediging relevante stukken aan het dossier toe te voegen.
  • Het is niet mogelijk gebleken om de verdediging hiervoor een effectieve compensatie te bieden.
  • De officier van justitie heeft de rechtbank op meerdere momenten op belangrijke punten onjuist dan wel onvolledig voorgelicht.
  • Een officier van justitie heeft tijdens de getuigenverhoren bij de rechter-commissaris ongeoorloofd contact gehad met een andere getuige, toen deze ter controle zijn verklaring doorlas.

Gelet op de bovenstaande onrechtmatigheden, in samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte Joep J. geen eerlijk proces heeft gehad, zoals dit in Nederland behoort te worden gevoerd en waar iedere burger recht op heeft.

Deze onrechtmatigheden samen leveren een dusdanig ernstige inbreuk op verdachtes recht op een eerlijk proces op dat dit niet kan worden afgedaan met bewijsuitsluiting of strafvermindering.

Gelet op de ernst van de inbreuk op het recht op een eerlijk proces in deze zaak en alle geconstateerde onrechtmatigheden, is alleen de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie passend.

De niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft niet alleen betrekking op de zaak van Joep J., maar ook op de zaken van de andere verdachten in de zaak Landlord. Deze zaken zijn namelijk nauw verweven met de zaak tegen Joep J.

Het Openbaar Ministerie wordt dan ook in de zaken van alle verdachten in het Landlord-onderzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF