Ook de verdachte zonder procesafspraken profiteert: rechtbank deelt strafkorting voor teruggave kunstschatten gelijk over drie verdachten

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 5 juni 2026 in drie afzonderlijke vonnissen telkens een gevangenisstraf van 47 maanden opgelegd voor de kunstroof in het Drents Museum in Assen in de nacht van 25 januari 2025. Bij die roof werden de ongeveer 2500 jaar oude gouden helm van Coțofenești en drie Dacische gouden armbanden weggenomen, uitgeleend door het Nationaal Historisch Museum van Roemenië in Boekarest. De juridische kern van de zaken ligt op twee terreinen: de toetsing van de procesafspraken die het Openbaar Ministerie met twee van de drie verdachten had gemaakt, en de beoordeling van een reeks rechtmatigheidsverweren over de inzet van opsporingsmiddelen. De drie zaken zijn gepubliceerd onder ECLI:NL:RBNNE:2026:2188, 2189 en 2190 en werden gelijktijdig behandeld op zittingen van 14 en 16 april en 5 juni 2026. Hieronder lopen de belangrijkste onderdelen van de vonnissen langs.

De feiten en de bewezenverklaring

Volgens de rechtbank zijn drie personen via de tuin van het museum de expositieruimte binnengedrongen. Zij forceerden de nooduitgang met gereedschap en brachten daarna voor een tweede deur een flashbanger Ti-Rex tot ontploffing, professioneel vuurwerk met een netto explosieve massa van 275 gram. Binnen ongeveer vijftig seconden sloegen zij vitrines stuk en namen de helm en de drie armbanden mee. De rechtbank stelde vast dat door de ontploffing gemeen gevaar voor goederen te duchten is geweest en dat dit gevaar zich ook heeft verwezenlijkt, onder meer doordat aan de overkant van de straat een ruit sneuvelde.

Het bewijs steunt op forensisch onderzoek, ANPR-gegevens, zendmastgegevens, camerabeelden en de aankoop van gereedschap, telefoons en een sporttas. Bij twee van de verdachten kwam de diefstal van een Volkswagen Golf in Alkmaar daar als afzonderlijk feit bij. De rechtbank kwalificeerde de feiten als diefstal door twee of meer verenigde personen met braak en verbreking, en het medeplegen van het opzettelijk veroorzaken van een ontploffing en het beschadigen van een gebouw, waarbij die laatste twee feiten in eendaadse samenloop staan. De rechtbank betrok daarbij de artikelen 47, 55, 57, 157, 170, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De procesafspraken en de toetsing aan artikel 6 EVRM

Met twee verdachten had het Openbaar Ministerie een afdoeningsovereenkomst gesloten. Het meest in het oog springende onderdeel was de overdracht van de gestolen kunstobjecten. De helm en twee van de drie armbanden zijn op 1 april 2026 overgedragen; de derde armband, met een verzekerde waarde van circa € 500.000, is nog spoorloos. De rechtbank toetste de afspraken aan de uitgangspunten die de Hoge Raad heeft geformuleerd in zijn arrest van 27 september 2022 en aan de eisen van artikel 6 EVRM. Zij stelde vast dat de verdachten vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en met bewustzijn van de rechtsgevolgen tot hun beslissing waren gekomen, zodat de afspraken bij het oordeel konden worden betrokken.

De rechtbank merkte op dat de inhoud van deze procesafspraken afwijkt van veel andere zaken. Het Openbaar Ministerie behield het recht uitvoerig te requireren en de verdediging behield het recht rechtmatigheidsverweren te voeren. Het proceseconomische voordeel was volgens de rechtbank minimaal, omdat de afspraken pas kort voor de inhoudelijke behandeling werden overgelegd, terwijl er al vijf voorbereidende zittingen waren geweest. Het afzien van hoger beroep bij een afwijking van niet meer dan drie maanden van het strafvoorstel zou wel kunnen bijdragen aan een voortvarende afdoening. De rechtbank benadrukte dat zij de volledige verantwoordelijkheid behield voor de beoordeling van schuld en straf, en betrok de grote maatschappelijke belangstelling als reden om de bewijsmiddelen en bewijsconstructie volledig weer te geven.

De vormverzuimen: urgente veiligheidsverhoren, opsporingsberichtgeving en pressieverbod

De verdediging voerde verweren over de urgente veiligheidsverhoren op grond van artikel 28e Sv, ingevoerd ter implementatie van Richtlijn 2013/48/EU betreffende het recht op toegang tot een raadsman. De rechtbank achtte de inzet van deze verhoren rechtmatig. Ten tijde van de aanhouding was nog geen zicht op de vindplaats van de kunstschatten en bestond een dringende noodzaak om te voorkomen dat aanzienlijke schade aan het onderzoek zou worden toegebracht. De beperking van de toegang tot een advocaat was naar het oordeel van de rechtbank proportioneel en subsidiair, en de verhoren hadden niet geleid tot een voor het bewijs gebruikte verklaring.

Anders oordeelde de rechtbank over de opsporingsberichtgeving. Het Openbaar Ministerie toonde de foto en de volledige voor- en achternaam van twee reeds aangehouden verdachten in de media. De rechtbank toetste dit aan de Aanwijzing Opsporingsberichtgeving en aan het in artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven, met verwijzing naar het toetsingskader uit het arrest van de Hoge Raad van 13 oktober 2015. Zij overwoog dat niet was gekozen voor minder ingrijpende alternatieven, zoals geblurde foto's of het noemen van slechts een deel van de naam, en dat deze mogelijkheden blijkens het proces-verbaal van de persofficier niet expliciet waren afgewogen. Daarmee was in strijd met het subsidiariteitsvereiste gehandeld en was sprake van een schending van artikel 8 EVRM.

Daarnaast stelde de rechtbank een schending van het pressieverbod van artikel 29 Sv vast. Tijdens een verhoor werd aan de verdachten meegedeeld dat een nieuwsitem met hun naam en foto zou worden uitgezonden, tenzij zij informatie zouden verstrekken over het onderzoek. Door de korte tijd tussen die mededeling en de daadwerkelijke uitzending is volgens de rechtbank grote druk uitgeoefend, waardoor de mogelijkheid heeft bestaan dat een verklaring zou worden afgelegd die niet in vrijheid was afgelegd. De rechtbank oordeelde dat deze schendingen de strafprocedure als geheel niet oneerlijk maakten, maar wel moesten worden gecompenseerd door strafvermindering. In de zaak met de extra ministeriële uitlatingen verwierp de rechtbank het verweer dat de mediaopmerkingen van de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid voor rekening van het Openbaar Ministerie kwamen, omdat het dossier geen aanwijzingen voor samenspraak bevatte.

Het undercovertraject

Voor het bewijs gebruikte de rechtbank ook verklaringen die in een undercovertraject waren afgelegd. Op grond van een bevel tot stelselmatig inwinnen van informatie ex artikel 126j Sv deden verbalisanten zich gedurende zes weken voor als bemiddelaars voor een geïnteresseerde koper. Aan de hand van het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2019 beoordeelde de rechtbank de verklaringsvrijheid. Zij stelde vast dat weliswaar druk en stevige taal zijn gebruikt, maar dat geen sprake was van ontoelaatbare druk of een bedreiging met de dood, en dat de verklaringen daderinformatie bevatten en steun vonden in objectief onderzoek. In de zaak zonder procesafspraken verwierp de rechtbank het verweer dat het ondervragingsrecht uit artikel 6 lid 3 onder d EVRM niet kon worden uitgeoefend, omdat het bewijs niet uitsluitend of in beslissende mate op die verklaringen berustte en het ontbreken van ondervraging voldoende was gecompenseerd.

De strafmaat en de rechtsgelijkheid

De rechtbank hanteerde voor alle drie de verdachten een basisstraf van 78 maanden, waarin de teruggave nog niet was verdisconteerd. De vormverzuimen rechtvaardigden een vermindering van een half jaar. De strafkorting die in de procesafspraken was overeengekomen bedroeg een derde. Na aftrek en korting kwam de rechtbank rekenkundig uit op 48 maanden, terwijl in de procesafspraken 44 maanden was overeengekomen; uiteindelijk legde zij in elke zaak 47 maanden op, met aftrek van het voorarrest. Bij de jongste verdachte, die ten tijde van het feit twintig jaar was en als first offender werd aangemerkt, matigde de rechtbank de basisstraf met zes maanden, maar zag zij geen aanleiding voor toepassing van het adolescentenstrafrecht.

Voor de verdachte zonder procesafspraken vorderde het Openbaar Ministerie 66 maanden. De rechtbank overwoog dat ook in zijn zaak de inbreuk op de rechtsorde deels was hersteld door de teruggave. Omdat door de proceshouding van de verdachten en de vormgeving van de procesafspraken niet kon worden vastgesteld welke verdachte in welke mate had bijgedragen aan de teruggave, zag de rechtbank geen grond om in de strafoplegging te differentiëren. In het kader van rechtsgelijkheid paste zij daarom ook bij deze verdachte een strafkorting van een derde toe, waarmee ook hij op 47 maanden uitkwam.

Afsluiting

De rechtbank heeft in drie afzonderlijke vonnissen telkens een gevangenisstraf van 47 maanden opgelegd. Zij heeft de procesafspraken getoetst en betrokken bij haar oordeel, schendingen van artikel 8 EVRM en het pressieverbod vastgesteld en gecompenseerd met strafvermindering, en in alle drie de zaken een strafkorting van een derde toegepast vanwege de teruggave van de kunstschatten. De helm en twee armbanden zijn teruggekeerd; de derde armband is nog spoorloos. Tegen de vonnissen staat hoger beroep open, waarbij in de zaken met procesafspraken is overeengekomen dat partijen daarvan afzien indien de opgelegde straf niet meer dan drie maanden afwijkt van het strafvoorstel.

Klik hier voor de volledige uitspraken: ECLI:NL:RBNNE:2026:2188, ECLI:NL:RBNNE:2026:2189 en ECLI:NL:RBNNE:2026:2190.

Print Friendly and PDF ^