Ontneming: Geen aftrek van kosten nu het geld waarmee de veroordeelde de valse merkkleding heeft aangeschaft, afkomstig was van de eerdere handel in valse merkkleding

Rechtbank Den Haag 21 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11394

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 21 september 2016 veroordeeld terzake van het strafbare feit:

  • opzettelijk waren, die zelf valselijk zijn voorzien van de handelsnaam van een ander of van het merk waarop een ander recht heeft, verkopen, te koop aanbieden en in voorraad hebben, terwijl de schuldige van het plegen van dit misdrijf zijn beroep maakt en het plegen van dit misdrijf als bedrijf uitoefent.

Standpunt van de officier van justitie

De inleidende schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van € 9.026,00.

De officier van justitie heeft zich daarbij gebaseerd op het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36 e 2e lid Sr’ van 16 maart 2015, opgesteld door politieagent, brigadier van politie, financieel rechercheur A te Leiden.

De conclusie van dit rapport is, dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel € 9.026,00 bedraagt.

Ter terechtzitting van 7 september 2016 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin, dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 18.053,70 en dat de veroordeelde de verplichting wordt opgelegd genoemd bedrag aan de Staat te betalen.

Daartoe heeft de officier van justitie in aanmerking genomen dat op basis van artikel 36 e, derde lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel geen rekening hoeft te worden gehouden met uitgaven in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf door de veroordeelde nu hij is veroordeeld voor een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. 

De officier van justitie meent dat kan worden vermoed dat het geld waarmee de veroordeelde de valse merkkleding heeft aangeschaft, afkomstig was van de eerdere handel in valse merkkleding, waarvoor de veroordeelde in 2013 een transactie heeft betaald. De verklaring van de veroordeelde dat het bedrag van € 10.000,00, dat hij op 4 april 2014 op zijn rekening heeft gestort, spaargeld betrof, acht de officier van justitie onaannemelijk, te meer nu de veroordeelde pas met deze verklaring is gekomen nadat hij kennis had genomen van het dossier.

De officier van justitie acht het in de vordering berekende voordeel derhalve te laag, nu van de totale omzet 50 % als kosten is afgetrokken. Volgens deze redenering van de officier van justitie dient de totale omzet van € 18.053,70 als wederrechtelijk verkregen voordeel te worden geschat.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de veroordeelde heeft zich op de terechtzitting van 7 september 2016 primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering dient te worden afgewezen gelet op de bepleite vrijspraak in de strafzaak die tot de ontnemingsvordering heeft geleid.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen omdat de stortingen op de rekening van betrokkene niet aan veroordeelde kunnen worden toegerekend, de vermeende periode een stuk korter is (aanvang 12 november 2014), er sprake is van dubbeltelling, en dat niet vast te stellen is dat het geld van de rekening van betrokkene ten gunste van veroordeelde is geweest c.q. gekomen, vanwege het gebrekkig onderzoek hieromtrent. De raadsman heeft betoogd dat de veroordeelde de afgelopen jaren inkomsten heeft gehad uit dienstverband en uit studiefinanciering, dat hij daarvan geld heeft gespaard en ten behoeve van de aankoop van een auto een bedrag van € 10.000 op zijn rekening heeft gestort.

Oordeel van de rechtbank

Uit onderzoek naar de bankrekening met het met rekeningnummer 1 op naam van betrokkene, waarvan de bankpas bij zijn aanhouding in bezit was van de veroordeelde, is gebleken dat deze rekening werd gebruikt voor de ontvangst van gelden van verkoop van valse merkkleding en dat er in de periode van 18 februari 2014 tot en met 25 november 2014 in totaal € 7.603,70 hiervoor op deze rekening binnengekomen is.

De veroordeelde was tijdens zijn aanhouding onderweg met een handelsvoorraad valse merkkleding. Dit duidt erop dat hij niet alleen verkocht via het systeem van bankoverschrijvingen en versturen van de kleding, maar ook via het ter plaatse tegen contanten aan de man brengen van de kleding. Dit verklaart waarom de veroordeelde bij zijn aanhouding in bezit was van een geldbedrag van € 450,00. Dit aangetroffen bedrag wordt als omzet meegerekend.

Op de bankrekening van veroordeelde bij de ING bank met nummer rekeningnummer 2, is op 4 april 2014 een bedrag van € 10.000,00 gestort. Gezien deze storting is het aannemelijk dat de veroordeelde tussen januari 2013 en februari 2014 ook heeft gehandeld in valse merkkleding. Aangenomen wordt dat de gestorte € 10.000,00 handelsgeld van de veroordeelde is.

De rechtbank overweegt als volgt.

De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank veroordeeld wegens overtreding van artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht, een misdrijf dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie. Aannemelijk is dat dat misdrijf op enigerlei wijze ertoe heeft geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.

Uit een op naam van verdachte staand uittreksel justitiële documentatie van 11 augustus 2016 blijkt dat verdachte op 9 juli 2013 een transactie heeft aangeboden gekregen voor artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht. De veroordeelde heeft deze transactie betaald.

Daarom kan in dit geval op grond van artikel 36 e, derde lid Sr onder a ook worden vermoed dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, ten behoeve van de aanschaf van de valse merkkleding, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen. De rechtbank acht het bovendien niet aannemelijk dat aan die uitgaven een legale bron van inkomsten ten grondslag ligt nu de verdediging onvoldoende heeft onderbouwd en ook verder niet aannemelijk is geworden dat de veroordeelde die geldbedragen uit dienstverband en studiefinanciering heeft opgespaard na contante opname en dat die afkomstig waren uit die bron.

Nu de rechtbank, met de officier van justitie, ervan uitgaat dat uitgaven die de veroordeelde heeft gedaan in een periode van zes jaren voorafgaand aan het plegen van dat misdrijf, wederrechtelijk verkregen voordeel belichamen, zal zij van de totale omzet geen kosten aftrekken, waardoor de totale omzet van € 18.053,70 als wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat.

Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Schatting wederrechtelijk verkregen voordeel

Op grond van het voorgaande volgt de rechtbank de berekening van de officier van justitie, en is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op (€ 7.603,70 + € 450,00 + € 10.000,00) = € 18.053,70.

Betalingsverplichting

De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van € 18.053,70 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.


Lees hier de volledige uitspraak. 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF