Onschuldpresumptie, raadkamer en strafkamer

Rechtbank Arnhem 31 mei 2012, LJN BW7234


In deze zaak stelt verzoeker zich op het standpunt dat hij een objectief te rechtvaardigen vrees heeft dat de rechters niet onpartijdig zijn, nu de raadkamer die het bezwaarschrift van verzoeker tegen de dagvaarding in de strafzaak tegen hem heeft beoordeeld, dezelfde samenstelling heeft als de strafkamer van de rechtbank die de zaak inhoudelijk zal behandelen.
Volgens verzoeker volgt hieruit dat de rechters in strijd handelen met de onschuldpresumptie zoals opgenomen in artikel 6 EVRM. De wrakingskamer overweegt dat de Hoge Raad (NJ 1997, 535) heeft uitgemaakt dat de enkele omstandigheid dat de rechters die het bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond hebben verklaard, ook de zaak ten gronde beoordelen, niet meebrengt dat de rechters daarmee niet meer een ‘impartial tribunal’ zijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Gelet op de beperkte reikwijdte en aard van de rechterlijke beslissing in de bezwaarschriftprocedure kan volgens de Hoge Raad niet worden gezegd dat een eventueel bij verzoeker ontstane vrees door ongegrondverklaring van het bezwaarschrift, objectief gerechtvaardigd   is, tenzij bijzondere omstandigheden tot een ander oordeel moeten leiden.
Uit de beschikking van de raadkamer blijkt dat de rechters het bezwaarschrift summier hebben getoetst, zoals de wet en vaste jurisprudentie voorschrijven. De vraag ten aanzien van de bewezenverklaring ligt pas na een inhoudelijke behandeling voor aan de strafkamer van de rechtbank en is daardoor nog niet aan de orde. De rechters zijn hier bij de toets op het bezwaarschrift niet op vooruit gelopen.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF