Omvangrijke fraude met PGB's en fraude met ‘zorg in natura’

Gerechtshof Den Haag 15 september 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:2649

De verdachte heeft deelgenomen aan twee verschillende criminele organisaties in de periode van 1 januari 2010 tot en met 17 april 2012. Deze criminele organisaties hebben veelvuldig documenten vervalst, zorgkantoren en het CIZ of (indirect) zorgkantoor 1 opgelicht en aanzienlijke bedragen witgewassen. 

Uit het onderzoek Norwood komt naar voren dat voor een bedrag van ruim €500.000 is gefraudeerd, zij het dat naar het oordeel van het hof daarvan een bedrag van €155.128,39 niet aan de verdachte kan worden toegerekend. Dit bedrag ziet op de ‘cliënten’ van medeverdachte 5 en niet kan worden vastgesteld dat verdachtes handelen daarbij enig relevante rol heeft gespeeld.

De FIOD heeft de in de administratie van bedrijf C aangetroffen facturen van ingehuurde zorgverleners vergeleken met de facturen van bedrijf C aan bedrijf G. Deze vergelijking heeft betrekking gehad op de maanden juni, juli, en oktober tot en met december 2010, het gehele jaar 2011 en de maanden januari en februari van 2012. Uit deze vergelijking volgt dat over het totaal van de hiervoor genoemde maanden het verschil tussen de facturen van de zorgverleners en de aan bedrijf G gedeclareerde uren 41.426 bedraagt. Voor de overige zeven maanden van 2010 (januari tot en met mei, augustus en september) en maart 2012 is deze vergelijking door de FIOD niet gemaakt, omdat de FIOD de facturen van de zorgverleners dan wel de factuur aan bedrijf G niet heeft aangetroffen.

Hoewel het hof uit de verklaringen van verdachte afleidt dat sprake is geweest van niet geregistreerde maar wel verleende zorguren, namelijk zorguren verleend door verdachte zelf, en ook door medeverdachte 4 en zwartwerkers, acht het hof – evenals de rechtbank - het met name ook gezien de hierboven vermelde getuigenverklaringen onaannemelijk dat dit aantal uren groter is dan het aantal uren dat bij de berekening van de FIOD buiten beeld is gebleven wegens gebrek aan facturen. Uitgaande van een verschil van 41.426 uren en de tarieven die door zorgkantoor 1 voor de verschillende soorten zorg werden uitgekeerd, bedraagt het door verdachte en haar medeverdachten veroorzaakte nadeel bij zorgkantoor 1 bijna €2.000.000.

Trial by media

De verdediging heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voorts nog op het standpunt gesteld dat sprake is geweest van een “trial by media” vanwege een publicatie in het Financieel Dagblad na de inhoudelijke behandeling van de zaak, waardoor verdachte haar nieuwe bedrijf heeft moeten stopzetten, hetgeen tot strafvermindering zou moeten leiden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Allereerst heeft de verdediging niet onderbouwd dàt (en zo ja per wanneer) verdachte haar bedrijf heeft opgeheven (bijvoorbeeld met een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel). Voorts is niet onderbouwd dat er een causaal verband is geweest tussen het stopzetten van het nieuwe bedrijf van verdachte en het krantenartikel over de onderhavige zaak. Het is het hof meer in het bijzonder niet gebleken dat eventueel door verdachte ondervonden tegenslagen bij het oprichten en uitbaten van een nieuw zorgbureau niet vooral het gevolg zijn (geweest) van de (in het openbaar uitgesproken) strafrechtelijke veroordeling van verdachte, hetgeen op zichzelf geen reden tot strafvermindering kan vormen. Aan het betoog van de verdediging wordt dan ook voorbij gegaan.

Het hof heeft verder acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 7 juni 2017, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.

Voorts heeft het hof acht geslagen op het tijdsverloop in deze zaak. Het hof overweegt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: redelijke termijn) in eerste aanleg in beginsel met 8 maanden is overschreden. Het verrichte onderzoek is evenwel zeer omvangrijk en zeer complex geweest en de rechter-commissaris heeft naar aanleiding van de verzoeken namens de verdachte en haar medeverdachten veel getuigen gehoord. Naar het oordeel van het hof maken deze bijzondere omstandigheden dat in dit geval geen sprake is van een tot strafmaat-vermindering aanleiding gevende overschrijding van de redelijke termijn van berechting in eerste aanleg. Het hof stelt evenwel vast dat bij de berechting in hoger beroep de redelijke termijn met 8,5 maand is overschreden. Het hof zal deze overschrijding verdisconteren in de strafmaat.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden in beginsel een passende en geboden reactie vormt. Gelet echter op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep zal het hof in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden opleggen. Het hof realiseert zich dat het opleggen van deze straf, zeker nu de partner van de verdachte in deze zaak ook tot een langdurige gevangenisstraf wordt veroordeeld, ingrijpende gevolgen heeft voor de vier minderjarige kinderen – onder wie hun zieke dochter – die van de zorg van de verdachte en haar partner afhankelijk zijn. In hetgeen door en namens de verdachte is aangevoerd omtrent haar persoonlijke omstandigheden ziet het hof evenwel geen mogelijkheid om tot een andere strafoplegging te komen. De ernst en de omvang van de bewezen verklaarde feiten laten dat niet toe.
 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
  • Feit 2: deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
  • Feit 4: medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.
     

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 maanden.
 

Vordering tot schadevergoeding benadeelde partij 

In het onderhavige strafproces heeft benadeelde partij zorgkantoor 1 zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde, tot een bedrag van €2.110.164,02.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof levert de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding op. De omvang van de schade kan op dit moment immers niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld gezien de omstandigheid dat in het onderzoek Norwood reeds terugbetalingen/aflossingen (door medeplegers) plaatsvinden en in het onderzoek Budget ook een civiele procedure aanhangig is gemaakt. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF