OM niet-ontvankelijk wegens schending redelijke termijn en bijkomende omstandigheden: strijd met behoorlijke procesorde

Rechtbank Utrecht 26 februari 2013, LJN BZ3942

Essentie

De rechtbank overweegt dat overschrijding van de redelijke termijn in beginsel niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak, op grond van bijzondere, bijkomende omstandigheden het voortzetten van de vervolging in strijd is met beginselen van goede procesorde.

Feiten

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 27 maart 2010 (primair) heeft gepoogd om opzettelijk om het slachtoffer van het leven te beroven, door meermalen met een mes stekende bewegingen in de richting van diens buik te maken, dan wel (subsidiair) dat hij heeft gepoogd het slachtoffer op deze wijze opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of (meer subsidiair) dat hij het slachtoffer heeft mishandeld.

Standpunt verdediging 

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de OvJ niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte. De raadsvrouw voert in de eerste plaats aan dat de redelijke termijn waarbinnen de zaak van verdachte door de rechter behandeld dient te worden is overschreden.

Daarnaast wijst zij erop dat verdachte in juli 2011 door de meervoudige strafkamer is vervolgd voor een soortgelijk feit en dat het thans ten laste gelegde feit toen eveneens had kunnen worden behandeld.

Standpunt OvJ

De OvJ stelt zich op het standpunt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid dient te leiden. Zij is van oordeel dat deze overschrijding kan worden betrokken in de strafmaat.

Oordeel rechtbank 

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat de redelijke termijn in deze zaak is aangevangen op 27 maart 2010. Verdachte is op die datum voor de eerste en enige keer door de politie verhoord en hij heeft hieraan in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake een strafvervolging zou worden ingesteld door het OM. De rechtbank overweegt voorts dat ten aanzien van de redelijke termijn in deze zaak in eerste aanleg geldt dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de termijn is aangevangen. Van bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot verlenging van deze termijn is de rechtbank niet gebleken. De redelijke termijn eindigde derhalve op 27 maart 2012.

Verdachte is voor de eerste keer gedagvaard voor de terechtzitting van 31 juli 2012. Deze dagvaarding is ingetrokken. Uitgaande van deze datum had de rechtbank eerst vonnis kunnen wijzen op 14 augustus 2012. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van 140 dagen.

De rechtbank stelt verder vast dat van een voortvarende behandeling van de zaak door het OM geen sprake is geweest. Het procesdossier is op 7 december 2010 op het parket van de OvJ ontvangen, waarna er tot aan de dagvaarding van de beoogde zitting op 31 juli 2012 geen (onderzoeks)handelingen meer zijn verricht. De overschrijding van de redelijke termijn is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geheel te wijten aan het OM.

De rechtbank overweegt dat overschrijding van de redelijke termijn in beginsel niet leidt tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen (Hoge Raad 17 juni 2008, LJN BD2578). De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn in deze zaak, op grond van bijzondere, bijkomende omstandigheden het voortzetten van de vervolging in strijd is met beginselen van goede procesorde.

Deze omstandigheden zijn in de eerste plaats gelegen in het feit dat verdachte bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Utrecht van 13 juli 2011 is veroordeeld voor een strafbaar feit, gepleegd op 20 maart 2011. Dit betreft een feit dat naar aard vergelijkbaar is met het thans ten laste gelegde feit, maar dat bijna een jaar later is gepleegd. De rechtbank benadrukt dat het in de rede had gelegen het thans ten laste gelegde feit tezamen met dit feit uit 2011 te behandelen op de terechtzitting die tot voornoemd vonnis heeft geleid. Het OM had hiertoe ook alle mogelijkheid, gelet op de eerder genoemde datum van het gereed komen van het procesdossier en gelet op het feit dat er nadien geen (onderzoeks)handelingen meer hebben plaatsgehad. Dat door de behandeling van het thans ten laste gelegde op een separate terechtzitting de redelijke termijn is overschreden, is het OM onder deze omstandigheid extra aan te rekenen.

De rechtbank betrekt daarbij in de tweede plaats dat zij op grond van het dossier in dit stadium niet uitsluit dat de ernst van de gebeurtenissen op 27 maart 2010 minder groot is dan zoals wordt aangenomen in de tenlastelegging. Dit kan ertoe leiden dat het belang dat verdachte heeft bij verval van het recht tot strafvervolging, omdat moet worden voorkomen dat hij langer dan redelijk is onder de dreiging van (verdere) strafvervolging zou moeten leven, heeft te prevaleren boven het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn behoudt bij normhandhaving door berechting.

Ten derde neemt de rechtbank in overweging dat na de eerst geplande zitting op 14 augustus 2012 wederom vertraging is opgetreden. Immers, pas ruim zes maanden na die datum is de zaak opnieuw geagendeerd. Als gevolg hiervan heeft de zitting in de onderhavige zaak bij benadering drie jaar na de ten laste gelegde gebeurtenissen plaatsgevonden.

Gelet op al het voorgaande zal de rechtbank de OvJ niet-ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF