OFSI beboet Deutsche Bank London Branch voor schending Russische sancties
/Op 30 april 2026 heeft de Britse Office of Financial Sanctions Implementation (OFSI), onderdeel van HM Treasury, een "civil monetary penalty” van £165.000 opgelegd aan Deutsche Bank AG London Branch (DBLB) wegens overtreding van het Russische sanctieregime. De boete betreft twee betalingen van in totaal £635.618,75 die DBLB in juni en juli 2022 verrichtte ten gunste van Okko LLC, een Russisch streamingbedrijf dat op dat moment volledig in handen was van de gesanctioneerde onderneming JSC New Opportunities.
Het is pas de tweede zaak die OFSI afdoet onder zijn op 9 februari 2026 ingevoerde Settlement Scheme, en de eerste keer dat een grote internationale bank in het Verenigd Koninkrijk via die route tot een schikking komt. Daarnaast illustreert de zaak hoe het sinds 2022 geldende strict liability-regime in financiële sanctiekwesties uitwerkt, en welke risico's verbonden zijn aan de inzet van derden voor sanctiescreening.
De feiten
DBLB, het Londense filiaal van Deutsche Bank AG, verrichtte op 29 juni 2022 en 27 juli 2022 twee betalingen via het SWIFT-netwerk in opdracht van een klant die in Ierland was gevestigd en deel uitmaakte van een buiten het Verenigd Koninkrijk gevestigde multinational. De begunstigde was Okko, een Russische exploitant van een streamingplatform. Okko zelf was geen klant van DBLB, maar van DBLB's klant. De relevante eigendomsstructuur ontstond op 17 mei 2022, toen PJSC Sberbank, de grootste Russische bank, Okko verkocht aan JSC New Opportunities. Sberbank was op 6 april 2022 door het Verenigd Koninkrijk aangewezen als gesanctioneerd persoon. JSC New Opportunities was op het moment van de aankoop nog niet aangewezen, maar werd dat op 29 juni 2022 om 11:00 uur BST, met als motivering onder meer de overname van eerdere Sberbank-activiteiten.
Vanaf het moment van aanwijzing van JSC New Opportunities viel Okko op grond van regulation 7 van de Russia (Sanctions) (EU Exit) Regulations 2019 (de Russia Regulations) opnieuw onder het Britse sanctieregime, ditmaal op basis van eigendom en zeggenschap. Betaling A van £356.429,27 werd op dezelfde dag als de aanwijzing verwerkt; betaling B van £279.189,48 volgde bijna een maand later, op 27 juli 2022. Een eerdere betaling van £1.129.785,87 in april 2022 (Payment C) is door OFSI niet als overtreding aangemerkt omdat deze nog onder het oude liability-regime viel.
Het juridisch kader: regulation 12 en strict liability
OFSI legde de boete op grond van section 146 van de Policing and Crime Act 2017 (PACA) op wegens schending van regulation 12 van de Russia Regulations, die het beschikbaar stellen van gelden aan personen of entiteiten die eigendom zijn of onder zeggenschap staan van een aangewezen persoon verbiedt. Sinds 15 juni 2022 geldt voor civielrechtelijke geldboetes onder section 146 een strict liability-regime: OFSI hoeft niet langer aan te tonen dat de overtreder wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat sprake was van een schending. Het regime werd ingevoerd via de Economic Crime (Transparency and Enforcement) Act 2022, kort na de Russische inval in Oekraïne.
Voor DBLB betekende dit dat de verwerking van de betalingen na 15 juni 2022 op zichzelf voldoende was om een overtreding vast te stellen, ongeacht de wetenschap of intentie van de bank. OFSI moet wel op de gewone civielrechtelijke standaard (balance of probabilities) aantonen dat een verboden gedraging heeft plaatsgevonden.
De rol van derdenscreening en eigendomsdata
Een centraal element in de zaak is dat DBLB ten tijde van de betalingen wel sanctiescreening uitvoerde, maar dat haar externe screeningleverancier op dat moment geen data bevatte over Okko of de eigendomsverhouding met JSC New Opportunities. De UK Consolidated List was wel door de leverancier verwerkt, maar de gegevens over indirecte eigendom ontbraken. Daardoor genereerde de screening geen alert op Okko. OFSI erkent dat externe screeningtools een waardevol onderdeel kunnen zijn van een controleraamwerk, maar benadrukt dat de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor naleving bij de financiële instelling blijft liggen.
In zijn beoordeling wijst OFSI er ook op dat in mei 2022 openbare berichtgeving beschikbaar was over de overdracht van digitale activa van Sberbank aan JSC New Opportunities. Er is geen aanwijzing dat DBLB of haar leverancier zich hiervan bewust waren. OFSI benadrukt dat een algemene plicht tot open-source onderzoek naar de klant van de klant niet bestaat, maar dat de risico's van een vertrouwen op derdendata door de terugtrekking van informatie uit Russische bedrijvenregisters (EGRUL) en aanvullende Russische wetgeving in 2022 zijn toegenomen.
Verzwarende en verzachtende omstandigheden
OFSI beoordeelde de zaak als 'serious', niet als 'most serious'. Onder de verzwarende factoren noemt OFSI de hoge gezamenlijke waarde van de betalingen, het feit dat de gelden direct ten goede kwamen aan een entiteit die volledig in handen was van een aangewezen persoon, en de strategische prioriteit van het Russische sanctieregime in het Britse buitenlands beleid. Daarnaast had DBLB volgens OFSI tussen maart en mei 2022 weliswaar herhaaldelijk overleg met de klant over Rusland-gerelateerde betaalstromen, maar werd daarbij niet doorgevraagd op de wijze waarop die klant zelf eigendomsrisico's beoordeelde, in het bijzonder ten aanzien van een door de klant gehanteerd self-certification-model.
Verzachtend werden onder meer meegewogen dat DBLB geen opzet of wetenschap had, dat betaling A kort na de publicatie van de aanwijzing plaatsvond met een beperkt tijdsbestek om de transactie te annuleren, dat op 20 september 2022 vrijwillige melding werd gedaan, en dat DBLB sinds 2022 zijn sanctiekader heeft versterkt, onder meer door uitbreiding van lijstaanbieders en aanpassing van het onboarding-vragenformulier in 2024.
Het maximum dat OFSI in deze zaak kon opleggen was £1.000.000, gelet op een totale overtredingswaarde van £635.618,75. OFSI kwam tot een baseline-boete van £300.000, waarop een korting van 45 procent werd toegepast voor de combinatie van vrijwillige melding en schikking onder de overgangsregeling.
Tweede schikking onder het nieuwe handhavingskader
De zaak is opvallend vanwege de procedurele route. Na de Notice of Intention op 12 september 2025 en het opwerpen van formele representations, verzocht DBLB op 23 januari 2026 om een Ministerial Review. Op 9 februari 2026 introduceerde OFSI zijn herziene Financial Sanctions Enforcement and Monetary Penalties Guidance, waarin onder meer een formeel Settlement Scheme is opgenomen. Dat schema biedt in de regel een korting van 20 procent in ruil voor afstand van het recht op ministeriële herziening en beroep bij de Upper Tribunal. Voor zaken waarin de Notice of Intention al vóór 9 februari 2026 was uitgevaardigd, kunnen onder een overgangsregime alsnog schikkingsbesprekingen plaatsvinden. Daarbij wordt het hogere voluntary disclosure-kortingspercentage uit het oude kader gehanteerd, terwijl de 20 procent settlement-korting niet bovenop wordt gestapeld. De DBLB-zaak is hiervan een eerste voorbeeld.
De zaak komt kort na de eerste OFSI-boete van 2026 tegen Bank of Scotland van £160.000, die op 26 januari 2026 werd gepubliceerd. Beide zaken laten zien dat OFSI zijn handhaving voornamelijk inzet bij operationele tekortkomingen in screening, escalatie en onboarding, en niet primair bij vermeende opzettelijke ontduiking.
Compliance-lessen volgens OFSI
In de notes on compliance benoemt OFSI drie hoofdpunten. Ten eerste moeten ondernemingen sanctiescreeningssystemen onderhouden die in verhouding staan tot hun risicoblootstelling, met aanvullende eigen processen waar derdenleveranciers tekortschieten, zeker waar sancties via eigendom en zeggenschap doorwerken. Ten tweede moeten onboarding- en periodieke reviewprocedures specifiek ingaan op de wijze waarop klanten zelf hun sanctierisico beheersen, in het bijzonder bij blootstelling aan hoogrisicojurisdicties zoals Rusland. Ten derde benadrukt OFSI dat een tijdige, volledige en gedetailleerde vrijwillige melding bepalend kan zijn voor de uiteindelijke korting; in dit geval kwalificeerde OFSI de melding van DBLB als 'prompt but incomplete'.
Afsluiting
De zaak Deutsche Bank illustreert hoe het Britse sanctieregime sinds 2022 functioneert: strict liability voor civielrechtelijke handhaving, een toenemende focus op eigendoms- en zeggenschapsstructuren, en een handhavingskader dat instellingen aanmoedigt om vroeg en volledig te melden in ruil voor substantiële kortingen. Tegelijkertijd toont de zaak de praktische beperkingen van externe screening, zeker waar publieke registers worden afgeschermd of bewust onvolledig gehouden. Met de inwerkingtreding van het nieuwe handhavingskader op 9 februari 2026 en de eerste schikkingen die nu publiek worden, zal de komende periode duidelijker worden hoe OFSI de balans tussen vrijwillige medewerking en afschrikking in concrete gevallen zal aanbrengen.
