Niet-ontvankelijkheid OM nu toezegging dat verdachte de vergoeding van de schade aan de b.p. in termijnen mocht betalen achteraf onjuist bleek?

Hoge Raad 17 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2642

De verdachte is bij arrest van 20 april 2016 door het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen, veroordeeld tot een schadevergoedingsmaatregel alsmede is de vordering van de benadeelde partij toegewezen, een en ander als nader in het arrest verwoord.

Het Hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in zijn strafvervolging het volgende overwogen:

"Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte niet gedagvaard had mogen worden, omdat naar aanleiding van een 'TOM-zitting' door de behandelend 'TOM-officier van justitie' is toegezegd dat verdachte de vergoeding van de schade aan de benadeelde in termijnen mocht betalen. Dat deze mededeling achteraf onjuist bleek te zijn, moet voor rekening van het Openbaar Ministerie komen, aldus de raadsman.

Uit het dossier volgt dat op 15 april 2015 een 'TOM-zitting' heeft plaatsgevonden. Uit het mede door verdachte ondertekende voorstel blijkt dat toen afgesproken is dat verdachte een werkstraf van 20 uren uit zou voeren, alsmede de schade die de benadeelde heeft geleden ten gevolge van de vernieling - te weten € 1.210,34 - zou vergoeden. Als verdachte, binnen de daartoe gestelde termijn, aan beide voorwaarden heeft voldaan kan hij strafvervolging voorkomen. De werkstraf heeft verdachte succesvol afgerond, maar de betaling van de schadevergoeding is uitgebleven. In dit kader volgt uit het dossier dat verdachte al op 19 april 2015 correspondentie heeft ontvangen waarin duidelijk opgenomen is dat verdachte een acceptgiro zal ontvangen waarop de uiterlijke datum voor de betaling van het volledige schadevergoedingsbedrag staat vermeld. Naar aanleiding van de daaropvolgende acceptgiro, inhoudende dat verdachte voor 24 juli 2015 het volledige bedrag diende te betalen, heeft de raadsman bij brief van 2 juli 2015 aangegeven dat betaling binnen de gestelde termijn niet tot verdachtes mogelijkheden behoort en heeft hij namens verdachte voorgesteld om het bedrag in termijnen van € 50,- per maand te voldoen.

Uit de stukken blijkt dat in eerste instantie per e-mail van 23 juli 2015 instemmend op dit voorstel is gereageerd door de degene die de 'TOM-zitting' heeft gedaan. Bij brief van 16 oktober 2015 heeft het Openbaar Ministerie echter kenbaar gemaakt dat het niet mogelijk is om de voorgestelde betalingsregeling binnen de kaders die het Openbaar Ministerie ter beschikking heeft in te passen. In hetzelfde schrijven heeft het Openbaar Ministerie kenbaar gemaakt dat zij verdachte alsnog zullen dagvaarden voor de Kinderrechter, nu hij niet volledig heeft voldaan ofwel niet kan voldoen aan de voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging. Hierna is verdachte op 26 oktober 2015 gedagvaard voor een zitting op 1 december 2015, waarop de zaak is aangehouden wegens de onduidelijkheid die bestond over voornoemd traject. Bij schrijven van 15 januari 2016 is namens het Openbaar Ministerie de dagvaardingsbeslissing nogmaals toegelicht en is naar voren gebracht dat - voordat tot de beslissing om te dagvaarden is genomen - op meerdere manieren is getracht om de wens tot betaling in termijnen mogelijk maken, doch dit in de uitvoering, dan wel wettelijk niet mogelijk is gebleken.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of de teruggenomen toezegging aan de raadsman van verdachte, inhoudende dat verdachte in termijnen kon betalen, aan de vervolging van verdachte door het Openbaar Ministerie in de weg staat.

Van belang wordt geacht dat de onjuiste mededeling enkel betrekking heeft gehad op de mogelijkheid tot termijnbetaling, en niet op de plicht tot schadevergoeding als zodanig. Een niet-gehonoreerde mededeling die slechts betrekking heeft op de uitvoering van (een deel van) de gemaakte afspraken is naar het oordeel van het hof niet zodanig essentieel dat sprake is van een schending van de beginselen van een goede procesorde.

Nu de raadsman reeds in zijn schrijven van 2 juli 2015 heeft aangegeven dat verdachte de schadevergoeding niet binnen de gestelde termijn kon betalen en verdachte ook feitelijk niet heeft betaald, is daarmee niet voldaan aan één van de gestelde voorwaarden om strafvervolging te voorkomen. Gelet op het voorgaande heeft het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot het besluit kunnen komen om verdachte te dagvaarden. Het hof verwerpt derhalve het verweer van de raadsman."

Het dictum van het bestreden arrest houdt in dat het Hof verstaat dat de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde de opgelegde werkstraf van 20 uren reeds heeft uitgevoerd en houdt voorts omtrent de schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde het volgende in:

"Vordering van de benadeelde partij [betrokkene]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [betrokkene] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 1.210,34 (duizend tweehonderdtien euro en vierendertig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [betrokkene], ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 1.210,34 (duizend tweehonderdtien euro en vierendertig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen jeugddetentie, met dien verstande dat de toepassing van die jeugddetentie de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de schadevergoeding mag worden voldaan in 5 (vijf) termijn(en) van 1 maand, groot € 242,07 (tweehonderdtweeënveertig euro en zeven cent).

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen."
 

Middel 

Het middel klaagt dat het Hof het verweer dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdachte aan de desbetreffende kennisgeving het gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd, nu betaling in termijnen niet mogelijk bleek.
 

Beoordeling Hoge Raad

ij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat in art. 167, eerste lid, Sv aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. Een bij de verdachte op grond van een mededeling van het openbaar ministerie (of van een aan het openbaar ministerie toe te rekenen mededeling) opgewekt vertrouwen dat hij in een bepaalde zaak niet (verder) zal worden vervolgd, zal alleen dan kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging indien dat vertrouwen in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is (vgl. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2982, NJ 2015/492).

Het in de beslissing van het Hof besloten liggende oordeel dat de verdachte in de gegeven omstandigheden niet gerechtvaardigd erop heeft mogen vertrouwen dat hij in deze zaak niet zou worden vervolgd, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat de verdachte aan de onjuiste mededeling omtrent de mogelijkheid van termijnbetaling niet het vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hij geheel van de als voorwaarde ter voorkoming van strafvervolging gestelde verplichting tot vergoeding van de schade zou zijn bevrijd.

Het middel faalt.
 

Conclusie AG: contrair 

5. Ik veroorloof mij eerst enkele opmerkingen over termijnbetaling. In het kader van de tenuitvoerlegging van een schadevergoedingsmaatregel is betaling in termijnen toegelaten. Art. 561, derde lid, Sv verschaft het openbaar ministerie daartoe de bevoegdheid. De uitvoering hiervan geschiedt in de praktijk door het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB). Het beleid bij het alsnog in de executiefase van de maatregel toestaan van termijnbetaling is zeer terughoudend: “Het CJIB treft in beginsel geen betalingsregelingen. Alleen op grond van bijzondere omstandigheden kan een verzoek na beoordeling gehonoreerd worden.” Die terughoudendheid kan gezien worden in het licht van de omstandigheid dat bij de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel de rechter op verzoek van de verdachte termijnbetaling kan toestaan. Een zekere terughoudendheid in het licht van deze tweede kans bij het OM laat zich dus denken. Het beleid van het OM is overigens wel te typeren als strikt.

6. Vanaf 1 april 2014 tot 1 oktober 2016 gold de Richtlijn en kader voor strafvordering jeugd en adolescenten, inclusief strafmaten Halt (2014R008). Over de afdoening door het openbaar ministerie bevatte deze Richtlijn het volgende:

“Indien de officier van justitie een strafbeschikking wil uitvaardigen of een transactie wil aanbieden worden de verdachte en de ouders uitgenodigd voor een OM-zitting. Bij deze zitting worden het delict en de persoonlijke omstandigheden besproken. Er wordt een aanbod gedaan, waarbij voorwaarden kunnen worden gesteld bestaande uit het verrichten van een taakstraf, het betalen van eventuele schade of het voldoen aan andere voorwaarden. Door de officier van justitie kan jeugdreclasseringstoezicht voor de duur van 6 maanden worden opgelegd, vanaf 16 jaar kan eventueel reclasseringstoezicht worden opgelegd.

Bij afdoeningsvoorstellen voor misdrijven tot een bedrag van € 115 of ten hoogste 20 uur taakstraf behoeft geen advocaat te worden toegevoegd. In zaken met een hoger afdoeningsvoorstel wordt door de advocaat de verdediging gevoerd (wel of geen bewijs, duur van de taakstraf). Vervolgens wordt het aanbod definitief bepaald.

Voor een schikkingsvoorstel met enkel een geldboete behoeft géén OM-zitting te worden gehouden. Indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden bij het aanbod wordt direct gedagvaard.”

7. De schadevergoedingsverplichting is in de onderhavige zaak door het openbaar ministerie gesteld als voorwaarde bij een transactie. Zie voor de wettelijke basis daarvan art. 74, eerste lid onder e, Sr. Bij de stukken bevindt zich een door een zittingsvertegenwoordiger en verdachte getekend formulier OTP-Afdoening van de GPS-zitting van 15 april 2015, met als voorstel van de secretaris een werkstraf van twintig uur en een vergoeding (materiële) schade benadeelde van € 1210,34. Ik begrijp dat een OTP-zitting een zitting is waarbij een parketsecretaris aan een minderjarige verdachte een voorstel tot afdoening van een strafzaak doet. Als de verdachte daarmee akkoord gaat en aan de voorwaarden voldoet, voorkomt hij daarmee dat zijn strafzaak voor de rechter wordt gebracht. Op 19 april 2015 is verdachte vervolgens een brief gestuurd met als inhoud onder meer:

“Je kunt strafvervolging van bovengenoemd delict bij de rechter voorkomen door binnen de gestelde termijn aan alle onderstaande voorwaarden te voldoen te weten: 
(-) Het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer van totaal EUR 1.210,34. 
(-) Het verrichten van een werkstraf van 20 uren. 
Je ontvangt binnenkort een acceptgiro van het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) voor het betalen van de schadevergoeding. Op de acceptgiro staat de datum vermeld waarop uiterlijk het volledige (schade)bedrag betaald moet zijn.”

8. Bij de stukken bevindt zich een brief van 2 juli 2015 van mr. H.K. Jap-A-Joe aan het CJIB te Leeuwarden. Een kopie van de brief is namens de algemeen directeur van het CJIB op 15 juli 2015 doorgezonden aan het arrondissementsparket Midden-Nederland met het verzoek de behandeling over te nemen. De brief van de raadsman houdt onder meer het volgende in:

“Met uw schrijven d.d. 15 mei 2015 gericht aan mijn cliënt, [verdachte], vraagt u om betaling van een bedrag van € 1210,34, te voldoen voor 24 juli 2015. Betaling binnen de gestelde termijn behoort niet tot de mogelijkheden. Cliënt is 17 jaar en nog schoolgaand. Hij heeft geen eigen inkomsten. Aan u wordt voorgesteld de schuld te voldoen in termijnen van € 50,- per maand.”

9. De hierboven onder punt 4 geciteerde overweging van het hof houdt onder meer in dat uit de stukken blijkt dat in eerste instantie per e-mail van 23 juli 2015 instemmend op dit voorstel is gereageerd door de degene die de ‘TOM-zitting’ heeft gedaan. Het betreffende e-mailbericht trof ik niet bij de stukken, maar gelet op de onweersproken vaststelling van het hof kan worden aangenomen dat een dergelijk bericht is uitgegaan.

10. Namens de officier van justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland is de raadsman vervolgens op 16 oktober 2015 geantwoord:

“Naar aanleiding van uw schrijven van 2 juli 2015 kan ik u meedelen, dat het niet mogelijk is om de voorgestelde betalingsregeling binnen de kaders die het OM ter beschikking heeft in te passen. Op basis van het voorgaande is besloten, nu uw cliënt niet volledig heeft voldaan ofwel niet kan voldoen aan de voorwaarden ter voorkoming van strafvervolging, uw cliënt te dagvaarden voor de Kinderrechter.”

11. In verband met onduidelijkheden inzake de dagvaarding is namens de officier van justitie van het arrondissementsparket Midden-Nederland de raadsman opnieuw een brief, gedateerd 15 januari 2016, geschreven inhoudende onder meer:

“Op 2 juli 2015 stuurt u, namens uw cliënt, een verzoek om een betalingsregeling naar het CJIB. U doet in dit verzoek een voorstel tot het betalen van een bedrag van 50 euro per maand. Op dit verzoek is namens degene die de OTP-zitting heeft gedaan, in strijd met de geldende regels, akkoord gegaan. Het is immers algemeen bekend, dat er geen betalingsregeling mogelijk is voor zowel het ingestemde transactiebedrag als het ingestemde bedrag van de schadevergoeding op OTP- of TOM-zitting. Ik heb toen telefonisch contact opgenomen met het CJIB om te kijken op welke wijze de betalingsregeling toch uitgevoerd zou kunnen worden. Dit bleek niet uit voeren door het CJIB.”

12. Nergens uit blijkt of de verdachte reeds in het kader van de OTP-zitting heeft verzocht om termijnbetaling. Verdachte diende voor 24 juli 2015 € 1210,34 te betalen. Voor een 17-jarige scholier een fors bedrag. Namens hem is daarom alsnog om termijnbetaling verzocht. De wet voorziet niet in een regeling om in het kader van de betaling van een schadevergoeding bij wijze van transactie betaling in termijnen toe te staan, maar enige regeling die dat verbiedt is mij evenmin bekend. Feitelijk onmogelijk lijkt het mij (overigens evenals bij de schadevergoedingsmaatregel) niet, al zal een uitzondering op de standaardafdoening bewerkelijk zijn. Dat het systeem er niet op is ingericht, kan niet afdoen aan een behoorlijke bejegening van justitiabelen.

13. Verdachte is de voorwaarde gesteld om schadevergoeding te betalen en hem is meegedeeld dat hij diende te betalen voor 24 juli 2015. Het verzoek om in termijnen te betalen is vervolgens niet zonder meer door het CJIB afgewezen omdat zulks niet is toegelaten of onmogelijk is, maar doorgezonden aan het parket met het verzoek de behandeling over te nemen. Degene die bevoegd is om de voorwaarde te stellen (de zittingsvertegenwoordiger) heeft in de termen die het hof ontleent aan een e-mailbericht van 23 juli 2015 vervolgens ingestemd met het voorstel tot termijnbetaling of – in de termen van de brief van 15 januari 2016 – is daarmee akkoord gegaan. De betreffende brief van 15 januari 2016 vermeldt dat dit akkoord in strijd is met de geldende regels, maar verschaft geen opheldering over de vindplaats of nadere inhoud van die regels. Hoe dan ook zou door de instemming of het akkoord niet meer binnen de gestelde termijn worden betaald en zelfs in redelijkheid niet meer tijdig betaald kunnen worden.

14. Mij is – zoals hierboven al naar voren kwam – geen regel bekend die bepaalt dat termijnbetaling bij een schadevergoeding in het kader van een transactie is uitgesloten. Uit de brief van 15 januari 2016 leid ik ook nog af dat van een categorisch verbod geen sprake is, al was het maar omdat alsnog met het CJIB contact wordt opgenomen om te bezien op welke wijze de betalingsregeling toch uitgevoerd zou kunnen worden. Ook uit de brief namens de algemeen directeur van het CJIB van 15 juli 2015 met het verzoek aan de officier van justitie om de afhandeling van het verzoek over te nemen, valt af te leiden dat van een categorisch verbod of een volledige feitelijke onmogelijkheid geen sprake is. Doorzenden ter behandeling heeft dan immers geen zin. Hieruit lijkt af te leiden dat het beleid is, althans kan zijn, net als bij de schadevergoedingsmaatregel (zie punt 5 hierboven): in beginsel niet, maar in bijzondere gevallen niet uitgesloten.

15. De slotsom is dat de beslissing van het hof om het OM ontvankelijk te verklaren in ieder geval niet toereikend is gemotiveerd. Zonder nadere toelichting zie ik niet in dat verdachte de voorwaarde om de schade te vergoeden voor 24 juli 2015 niet is nagekomen. Hem is immers op 23 juli 2015 meegedeeld dat het OM akkoord was met een termijnbetaling. Op die mededeling kon in redelijkheid worden afgegaan, niet alleen omdat deze werd gedaan door een bij uitstek bevoegde, maar tevens omdat het niet een evident onjuiste mededeling betreft. Een termijnbetaling in een geval als het onderhavige – waarin van een jeugdige wordt gevergd een bedrag van € 1210,34 te betalen - is immers niet door enige rechtsregel verboden en de uitvoering van een betalingsregeling zal ongetwijfeld bezwaarlijk zijn, maar zonder meer onmogelijk lijkt het mij niet. Ik wijs er nog op dat verdachte ondanks de hoogte van het schadevergoedingsbedrag niet werd bijgestaan door een raadsman. Bovendien wijs ik er op dat terughoudendheid bij het toelaten van termijnbetaling hier niet kan zijn ingegeven door de omstandigheid dat er, net als bij de schadevergoedingsmaatregel, al gelegenheid is geweest om een rechter te verzoeken een betalingsregeling te treffen.

16. Het middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het hof, teneinde deze op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF