Matiging vordering ontneming i.v.m. financiële positie verdachte

Rechtbank Utrecht 12 november 2012, LJN BY3109 Vordering officier van justitie 

De vordering van de officier van justitie strekt tot het aan de veroordeelde opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van € 20.533,44.

Oordeel rechtbank

De rechtbank ontleent aan de inhoud van de bewijsmiddelen het oordeel dat de veroordeelde door middel van het begaan van de bewezenverklaarde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

De rechtbank schat het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 12.406.

De verdediging heeft gesteld dat de verdachte niet beschikt over enig vermogen voor verhaal en dat een terugbetalingsverplichting tot grote problemen zal leiden.

Blijkens het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel staat vast dat vermogenscomponenten tot een totaal bedrag van ongeveer € 3.314 in beslag zijn genomen en dat overigens geen vermogenscomponenten zijn aangetroffen.

De rechtbank acht gelet op de persoon van de verdachte niet aannemelijk dat vermogen zou zijn veiliggesteld.

Aannemelijk is voorts dat de verdachte, gelet op zijn beperkte legale inkomsten, waarvan niet valt aan te nemen dat die in de nabije toekomst zullen toenemen, weinig tot geen mogelijkheden heeft om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Gelet hierop zal de rechtbank de betalingsverplichting matigen tot een bedrag van € 7.500. De vordering van de officier van justitie wordt voor het overige afgewezen.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF