De opeisbaarheid van de civiele vordering van het so staat los van de vraag of het so zich kan voegen als bp in het strafproces

Hoge Raad 13 november 2012, LJN BY0063 Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte wegens openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Het middel klaagt over de toewijzing door het Hof van de vordering van de benadeelde partij.

Het Hof heeft geoordeeld dat de verdachte, die evenals de mededader jegens de benadeelde partij hoofdelijk aansprakelijk is, van zijn betalingsverplichting zal zijn bevrijd indien en voor zover die mededader de benadeelde partij heeft voldaan. Dat oordeel geef niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad.

Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk, waaraan niet afdoet de overweging van het Hof - onder verwijzing naar het arrest van de HR van 13 juli 2010, LJN BM0912, welk arrest betrekking heeft op de oplegging van de schadever- goedingsmaatregel - dat "de opeisbaarheid van de civiele vordering van het slachtoffer los[staat] van de vraag of het slachtoffer zich kan voegen als benadeelde partij in het strafproces".

Aan het middel ligt de veronderstelling ten grondslag dat de verdachte ingevolgde de bestreden uitspraak verplicht is aan de benadeelde partij het bedrag van € 16.292 te voldoen. Die veronderstelling is blijkens het voorgaande onjuist. Het middel kan dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF