‘Nationale rechter niet onderworpen aan Europa’

Rechters moeten vertrouwen op hun oordeel en hun autonome rol in het stelsel van Europese rechtspleging. “Europees recht is echt niet complexer of exotisch. Unierecht is 'law of the land', en hoort bij het normale takenpakket van de rechter die werkzaam is op ons grondgebied. Rechters moeten er wel voor zorgen dat ze voor hun informatie niet afhankelijk zijn van de procespartijen, maar vooral kennis delen via de kenniscentra.” Dit zei universitair docent aan het Europa Instituut van de Universiteit Utrecht Herman van Harten afgelopen vrijdag (9 november 2012) tijdens de themadag ‘Wat doet de Nederlandse rechter met het Europese recht? ’Deze dag was georganiseerd door de gezamenlijke kenniscentra van de Rechtspraak en het Studiecentrum Rechtspleging SSR.

Monopolie

Herman van Harten, die vorig jaar promoveerde op het proefschrift ‘Autonomie van de nationale rechter in het Europees recht’, betoogde dat Nederlandse rechters eigen kenmerken van autonomie bezitten in het stelsel van Europese rechtspleging. Daardoor is het monopolie van het Hof van Justitie van de Europese Uniein Luxemburg volgens hem veranderd in een machtspositie, waarin op punten de uitspraken van nationale rechters over Europeesrechtelijke normen concurreren met die van het Hof.

Context

De Nederlandse rechter is volgens Van Harten een uitlegger die de rechtspraak van het Hof van Justitie verfijnt. “De rechtspraak van het Hof van Justitie is richtinggevend, maar de variaties in feiten en omstandigheden doen zich het eerst voor in de nationale context. De rechter beslist als eerste en geeft nadere uitleg aan het recht. De nationale rechter heeft de vrijheid en de verantwoordelijkheid om de Europeesrechtelijke verplichtingen en verwachtingen te operationaliseren”, aldus Herman van Harten.

Nationale rechter

René Barents, rechter bij het Gerecht voor ambtenarenzaken in Luxemburg, zag de autonomie van de nationale rechter anders. “Wat bedoel je met autonomie”, vroeg hij zich af. Is die bij Van Harten deels autonoom ten opzichte van het nationale recht en van het Europese recht, bij Barents is die uitsluitend autonoom ten opzichte van zijn eigen nationale recht. Barents daarover: “Op grond van het Europees recht, en het Europees recht alleen, is de nationale rechter ten opzichte van het nationale recht en zijn rechterlijke organisatie volstrekt autonoom als het gaat om de uitoefening van zijn Europeesrechtelijke taken. Hij bepaalt dus zelfstandig of hij bevoegd is om te verwijzen naar het Europese Hof, of daartoe verplicht is. In dat opzicht is hij niet gebonden aan welke regel van nationaal recht ook, maar wel aan die van het Europees recht.”

Debat

De Nederlandse rechter polijst de rechtspraak van het Hof van Justitie volgens Van Harten, zonder daarbij altijd prejudicieel te verwijzen. Prejudiciële verwijzing, waarbij een nationale rechter aan het Hof van Justitie uitleg en duidelijkheid vraagt over een onderdeel van het gemeenschapsrecht, is niet het eerste waar de vicepresident van de Rechtbank Arnhem Jos Tromp inhoudelijk aan denkt, vertelde hij in een debat dat werd voorgezeten door voormalig rechter aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg en raadsheer in de Hoge Raad Wilhelmina Thomassen.Tromp: “In de eerste lijn zit in die zin de autonome positie dat je niet hoeft te verwijzen, ingebakken.” In de eerste lijn is de rechter erg oplossingsgericht, mede gezien het feit dat een prejudiciële vraag leidt tot forse verlenging van de doorlooptijd, aldus Tromp. “En dat betekent dat je ervoor kunt kiezen om in een zaak geen prejudiciële vraag te stellen, maar om Europeesrechterlijke bepalingen zelf uit te leggen aan de hand van de jurisprudentie van het Hof van Justitie en de Hoge Raad.

Als een nationale rechter zelf het Europese recht kan uitleggen, is er inderdaad geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen, benadrukte hoogleraar strafrecht en grensoverschrijdende aspecten van het strafrecht in Maastricht André Klip.

Geschillen

Om ervoor te zorgen dat geschillen voor de rechter worden beslecht en niet door een strikte Cilfit-toetsing samen met vergelijkbare andere zaken met tientallen tegelijk ‘op de plank terechtkomen’, hanteert het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) in de woorden van senior-raadsheer en voormalig president Ruud Winter een ‘iets lichtere toets’. Winter: “Die komt erop neer dat het tussen de partijen gerezen geschil en het daarop betreffende toetsingskader geen aanleiding geven tot het stellen van prejudiciële vragen nopende twijfel. En dan worden geen vragen gesteld. Dat gaat eigenlijk vrij goed. Je loopt op zichzelf wel het risico aansprakelijk te worden gesteld omdat je geen prejudiciële vragen hebt gesteld, maar die soep wordt niet zo heet gegeten als opgediend. Je kunt het niet stellen van vragen namelijk zo inkleden, dat, ook als het Hof tot een andere conclusie komt, het heel begrijpelijk was dat je op dat moment die vragen niet hebt gesteld. Er is aardig wat marge om verstandig je werk te doen.”

 

Bron: de Rechtspraak

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF