Lekkende politieagent krijgt taakstraf

Rechtbank Amsterdam 2 juni 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:3387 Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim door vertrouwelijke politie-informatie te versturen aan zijn partner en aan zijn vader.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in haar vervolging van verdachte. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat met de strafrechtelijke vervolging van verdachte in redelijkheid geen strafrechtelijk belang meer wordt gediend. Verdachte is in verzekering gesteld, oneervol ontslagen en heeft, als gevolg van traumatische ervaringen tijdens zijn werk als politieman, een posttraumatische stressstoornis (PTSS) opgelopen. Gelet op het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging is niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie de enige passende sanctie, aldus de raadsman.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het niet-ontvankelijkheidsverweer dient te worden verworpen, aangezien er sprake is van een forse schending van het ambtsgeheim door verdachte. Gelet hierop kon in alle redelijkheid tot strafrechtelijke vervolging van verdachte worden overgegaan.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vraag of de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte stelt de rechtbank voorop dat de officier van justitie ‘dominus litis’ is. Dit wil zeggen dat het de officier van justitie is die de beslissing over vervolging neemt en dat die beslissing niet aan directe toetsing door de rechtbank voorligt. Wel dient de rechtbank in dit kader te beoordelen of door de officier van justitie geen beginselen van een goede procesorde zijn geschonden. In dit geval gaat het dan meer specifiek om het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging. Bij het instellen van vervolging dient de officier van justitie de verschillende in aanmerking komende belangen zorgvuldig tegen elkaar af te wegen.

De verdediging stelt dat verdachte heeft gehandeld terwijl hij leed aan PTSS, dat hij als gevolg van zijn werkzaamheden heeft opgelopen. Deze stoornis zou van invloed zijn geweest op zijn handelen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt niet dat de PTSS het handelen van verdachte heeft veroorzaakt. De rechtbank leidt dit af uit het Pro Justitia-rapport van 15 december 2015, opgemaakt door drs. R.S. Turk, GZ-psycholoog (hierna: het psychologisch rapport), pagina 22: ‘Hoewel de PTSS op de achtergrond een rol kan hebben gespeeld in de behoefte informatie te delen, kan niet worden gesteld dat de keuzevrijheid van betrokkene door de PTSS beperkt werd.’ De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de norm die is geschonden en het rechtsbelang dat wordt beschermd. Verdachte wordt beschuldigd van het als politieagent schenden van zijn ambtsgeheim. Het plegen van een dergelijk feit beschaamt het vertrouwen dat de maatschappij in politieagenten mag en ook moet hebben. Gelet op het voorgaande kon de officier van justitie in alle redelijkheid tot vervolging van verdachte overgaan.

De rechtbank acht de officier van justitie dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Waardering van het bewijs

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van het bewijs bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje is ten laste gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van de volgende bewijsmiddelen tot het oordeel dat bewezen verklaard kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd.

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje is ten laste gelegd. Hiertoe heeft de raadsman primair aangevoerd dat er geen sprake is van geheimen in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Het betreft in de genoemde gevallen telkens informatie die niet privacy gevoelig is, aldus de raadsman. Subsidiair is door de raadsman aangevoerd dat verdachte de betreffende informatie niet opzettelijk heeft gedeeld, ook niet in de variant van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Voor beantwoording van de vraag of sprake is van een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht, moet acht worden geslagen op de aard van de informatie, het moment waarop de geheimhoudingsplichtige hiervan kennis kreeg en de hoedanigheid waarin deze hiervan kennis kreeg. In de vijf gevallen die de raadsman noemt is er telkens sprake van informatie die verdachte in zijn hoedanigheid als hoofdagent van politie voorhanden kreeg. Het betreft ook telkens informatie uit lopende politieonderzoeken. Gelet op de geheimhoudingsplicht voor politieambtenaren (artikel 7, eerste lid, Wet politiegegevens) is er reeds hierom in de onderhavige gevallen telkens sprake van een geheim in de zin van artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht. Dat de informatie niet privacy gevoelig is of niet is te herleiden tot een specifiek geval of persoon doet daar niet aan af.

Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte zijn ambtsgeheim opzettelijk heeft geschonden. Verdachte heeft – met uitzondering van één geval – de informatie per WhatsApp of e-mail verstuurd. Voor het op dergelijke wijze versturen van informatie zijn meerdere handelingen nodig. De rechtbank verwijst in dit verband tevens naar het psychologisch rapport. Hierin is onder meer het volgende opgenomen, pagina 22:

‘Betrokkene bekende zijn ambtsgeheim te hebben geschonden (…). Vastgesteld kan worden dat het hierbij niet ging om een impulsieve actie. Betrokkene had – als hij beter had nagedacht – ook kunnen besluiten de informatie voor zich te houden. (…) Een en ander impliceert een keuze.’

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook bewezen hetgeen verdachte onder het eerste, tweede, derde, vierde en zesde gedachtestreepje ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

  • Opzettelijke schending van een ambtsgeheim, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf 160 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF