Last tot terbeschikkingstelling mogelijk voor oplichting?

Gerechtshof Arnhem 6 september 2012, LJN BX7363 Zowel het OM als de terbeschikkinggestelde heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 23 januari 2012 om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of tbs kan worden opgelegd wanneer het bewezen verklaarde feit “oplichting” (art. 326 Sr) betreft.

En, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, of voor een dergelijk feit, gezien het in art. 37b lid 1 Sr genoemde criterium dat de “veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen” dit eist, een bevel tot verpleging van overheidswege mogelijk is dan wel verlengd kan worden.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de beslissing van de rechtbank niet overeenstemt met de uitspraak van het hof van 29 april 2009 (TBS 2009/019). Volgens de advocaat-generaal is, gelet op de artt. 37a en 37b Sr, oplegging van een tbs-maatregel wel mogelijk in geval van veroordeling voor oplichting, maar kan er in dat geval geen verpleging van overheidswege worden bevolen.

Op grond hiervan is primair geconcludeerd de beslissing van de rechtbank te vernietigen en de verlengingsvordering af te wijzen. Subsidiair is betoogd dat er een alternatief is voor het verlengen van de tbs-maatregel met dwangverpleging, namelijk het verlengen van de maatregel en het tegelijkertijd voorwaardelijk beëindigen van de dwangverpleging.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Onder verwijzing naar de beslissing van het hof van 29 april 2009, hebben de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman primair verzocht om afwijzing van de vordering. Subsidiair is gesteld dat sprake is van een in duur gemaximeerde terbeschikkingstelling en is gevraagd de mogelijkheid van voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te bezien.

Het oordeel van het hof

Zowel het OM als de terbeschikkinggestelde heeft beroep ingesteld, omdat zij allereerst duidelijkheid willen krijgen over de vraag of de tbs-maatregel al dan niet kan worden opgelegd wanneer het bewezen verklaarde feit het misdrijf “oplichting” betreft. En voorts of voor een dergelijk feit, gezien het in art. 37b, eerste lid Sr genoemde criterium dat de “veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen” dit eist, een bevel tot verpleging van overheidswege mogelijk is dan wel verlengd kan worden.

Zowel het OM als de terbeschikkinggestelde hebben in dit verband gewezen op de beslissing van het hof van 29 april 2009. In voornoemde zaak was de tbs-maatregel (aanvankelijk met voorwaarden, maar later omgezet in tbs met verpleging van overheidswege) opgelegd voor oplichting, diefstal en verduistering. Het hof heeft destijds de vordering tot verlenging van de tbs-maatregel afgewezen en heeft daartoe het volgende overwogen:

“Het criterium aan de hand waarvan de onderhavige vordering tot verlenging van de maatregel moet worden beoordeeld is of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging eist. Aan dit criterium is in dit geval niet voldaan. De maatregel is niet opgelegd ter zake geweldsmisdrijven (maar louter vanwege vermogensdelicten, te weten oplichting, diefstal en verduistering) en van gevaar voor de veiligheid van anderen dan wel voor de algemene veiligheid van personen blijkt niets. Evenmin is gebleken van gevaar voor de algemene veiligheid van goederen. Het enkele feit, hoe maatschappelijk schadelijk ook, dat betrokkene bij beëindiging van de maatregel mogelijk weer dit soort vermogenscriminaliteit zou gaan plegen, kan niet de conclusie rechtvaardigen dat daarmee de algemene veiligheid van goederen in gevaar wordt gebracht.”

Het hof merkt op dat in deze overweging het antwoord op voormelde vragen in het midden blijft. Het hof komt thans tot de volgende overwegingen.

Oplegging van de tbs-maatregel

Een tbs-maatregel kan volgens art. 37a, eerste lid Sr worden opgelegd indien aan de volgende cumulatieve voorwaarden is voldaan:

  • bij de verdachte bestond tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens;
  • het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld dan wel behoort tot één der misdrijven omschreven in de artikelen 132, 285, eerste lid, 285b, en 395 van het Wetboek van Strafrecht, 175, tweede lid, onderdeel b, of derde lid in verbinding met het eerste lid, onderdeel b, van de Wegenverkeerswet 1994, en 11, tweede lid, van de Opiumwet;
  • de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van die maatregel.

Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 8 september 2009 zijn aan betrokkene opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege voor vijf maal het misdrijf “oplichting, meermalen gepleegd”.

Uit voornoemd vonnis blijkt dat bij betrokkene tijdens het begaan van de feiten sprake was van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Voldaan is derhalve aan de eerste voorwaarde van art. 37a lid 1 Sr.

Oplichting is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar is gesteld. Daarmee is ook voldaan aan de tweede voorwaarde.

De strafbaarstelling van oplichting beschermt in de eerste plaats het vermogen van derden, net als bijvoorbeeld de strafbaarstelling van diefstal, en in de tweede plaats het vertrouwen in (vooral) het handelsverkeer. De vraag is of de bescherming van deze belangen begrepen kan worden onder het criterium van art. 37a, eerste lid en onder 2: “de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen”. Deze bewoordingen zien waar het gaat om goederen op het belang van het ongeschonden blijven van goederen in het algemeen en zijn ontleend aan het wetsontwerp - BOPZ. In de Nota naar aanleiding van het eindverslag wordt nog opgemerkt dat het beginsel dat de rechtsorde aan allen bescherming tegen lijf en goed moet bieden, in het wetsontwerp een belangrijke rol speelt.

Op grond hiervan is het hof van oordeel dat onder “de algemene veiligheid van goederen” niet alleen de bescherming van goederen in het algemeen tegen fysieke aantasting valt maar ook het belang van het ongestoorde bezit van goederen van willekeurige derden. Aldus heeft de rechtbank in haar vonnis tot oplegging van de terbeschikkingstelling kunnen komen in combinatie met het bevel tot verpleging van overheidswege, voor welk bevel in het eerste lid van art. 37b Sr hetzelfde criterium wordt genoemd als voor de last tot terbeschikkingstelling in art. 37a, eerste lid en onder 2 Sr.

Gemaximeerde tbs

De terbeschikkingstelling is formeel ingegaan op 7 februari 2010 en loopt nu ruim twee jaar. De terbeschikkingstelling met verpleging kan worden verlengd indien de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist. Oplichting kan niet worden gekwalificeerd als een misdrijf gericht tegen of gevaar veroorzakend voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen. Dit betekent dat, gelet op het bepaalde in art. 38d, tweede lid in samenhang met art. 38e lid 1 Sr, de totale duur van de tbs-maatregel in dit geval is beperkt tot vier jaar.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF