Wetsvoorstel verruiming vrijheid van meningsuiting

Recente gebeurtenissen, zoals de veroordeling van een man die een islamkritische poster voor zijn raam hing, de inval bij cartoonist Gregorius Nekschot en de vervolging van Geert Wilders, hebben de discussie over de beperking van het grondwettelijk en verdragsrechtelijk recht op vrijheid van meningsuiting weer doen oplaaien. De vraag naar de noodzaak van de artt. 137c (groepsbelediging) en 137d Sr (haatzaaien) is daardoor nadrukkelijk aan de orde gesteld. Voorgesteld wordt om voornoemde artikelen te schrappen, omdat deze de noodzakelijke scherpte en duidelijkheid missen en genoemde delicten bovendien reeds onder andere delictsomschrijvingen vallen. De strafbaarstelling van aanzetten tot geweld, bedreiging en opruiing, alsmede enkelvoudige belediging, smaad en laster blijven immers gehandhaafd. Feitelijke discriminatie blijft eveneens strafbaar.

Met het onderhavige voorstel worden vier doelen gediend, te weten het verruimen van de vrijheid van meningsuiting, het verzekeren van het lex certa beginsel, het voorkomen van een conflict tussen op Nederland rustende verdragsverplichtingen en het bieden van een handreiking aan het Europese hof voor de rechten van de mens bij het bepalen van de Europese consensus inzake het beschermen van het maatschappelijk debat.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF