OM-cassatie. Motivering vrijspraak. Gebruik getuigenverklaringen voor het bewijs.

Hoge Raad 18 september 2012, LJN BX4559 De verdachte is bij arrest door het Gerechtshof te Amsterdam vrijgesproken van het hem ten laste gelegde, te weten primair medeplegen van een woninginbraak en subsidiair opzettelijke dan wel culpoze heling.

Het heeft hierbij het volgende overwogen: Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Op 24 juni 2006 tussen 01:30 uur en 08:45 uur werd er ingebroken in de woning. Bij deze inbraak werd onder andere een computer weggenomen. Op 24 juni 2006 tussen 18:19 en 18:35 uur werd er met deze computer ingelogd op MSN vanaf het (unieke) IP-adres b-straat 1 te Amersfoort. Dit is het woonadres van de broers, betrokkene 1 en 2. Zij hebben beiden bij de politie verklaard dat betrokkene 2 de computer heeft gekocht van verdachte. Ter zitting van de politierechter zijn zij beiden teruggekomen op hun bij de politie afgelegde verklaring. De verklaringen zoals afgelegd bij de politie van betrokkene 1 en 2 zijn de enige bewijsmiddelen waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen. Gelet op het feit dat de verklaringen van betrokkene 1 en 2 zoals afgelegd bij de politie de enige bewijsmiddelen zijn waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en zij bij de politierechter hun belastende verklaringen hebben ingetrokken, ligt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad in de rede dat deze getuigen ook ter terechtzitting van het hof gehoord worden zodat het hof zich een oordeel kan vormen omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen. Het OM had dat kunnen en moeten voorzien. Het hof ziet geen reden om ambtshalve alsnog te bepalen dat beide broers gehoord moeten worden. Het betreft een relatief oude zaak met een, intussen, beperkt belang, nu deze zaak onderdeel is van een reeks soortgelijke feiten waarvoor verdachte wel is veroordeeld. Het hof zal verdachte vrijspreken.

Middel

Het middel behelst de klacht dat het (impliciete) oordeel van het Hof dat de in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaringen van de broers (betrokkene 1 en 2) niet voor het bewijs gebezigd konden worden nu zij beiden deze verklaringen bij de Politierechter hebben ingetrokken en zij derhalve als getuigen op de terechtzitting van het Hof gehoord hadden moeten worden opdat het Hof zich een oordeel had kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van deze verklaringen, van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd.

Hoge Raad

Het Hof heeft in zijn hiervoor weergegeven motivering van de vrijspraak overwogen dat het uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen dat de verdachte het hem primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan. In deze overwegingen heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat het voorhanden wettige bewijsmateriaal - in het bijzonder de bij de politie afgelegde verklaringen van betrokkene 1 en 2 die de enige bewijsmiddelen vormen waaruit verdachtes betrokkenheid bij het hem tenlastegelegde rechtstreeks kan volgen - overtuigingskracht mist, aangezien deze verklaringen ten overstaan van de Politierechter zijn ingetrokken en het Hof zich geen oordeel heeft kunnen vormen over de betrouwbaarheid van deze verklaringen. Deze - niet onbegrijpelijke - motivering kan zijn oordeel zelfstandig dragen. Daaraan kan de in deze overwegingen tevens opgenomen verwijzing naar het aldaar vermelde arrest van de Hoge Raad niet afdoen. Daarop stuit het middel af.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF