Komen de kosten die de raadsman in het kader van een 552f-procedure (vordering tot onttrekking aan het verkeer) heeft gemaakt ex art. 591a Sv voor vergoeding in aanmerking?

Rechtbank Noord-Holland 19 mei 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:4137

Het verzoekschrift strekt tot toekenning aan verzoekster van een vergoeding ten laste van de Staat ten bedrage van € 929,28, wegens de door de raadsman van verzoekster verrichte werkzaamheden met betrekking tot de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer, alsmede tot vergoeding van de kosten van een raadsman met betrekking tot het opstellen en indienen van het onderhavige verzoekschrift.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot inwilliging van het verzoek.

De strafzaak tegen verzoekster is geëindigd door het onherroepelijk worden van het vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 18 april 2016, waarbij verzoekster van het haar tenlastegelegde is vrijgesproken. Bij die uitspraak is geen beslissing genomen over de in deze strafzaak in beslag genomen twee huwelijksakten van verzoekster.

Op 10 juni 2016 heeft de officier van justitie op grond van artikel 552f Sv een vordering ingediend tot onttrekking aan het verkeer van die in beslag genomen voorwerpen. Na een mondelinge behandeling op 22 augustus 2016 en een tussenbeschikking van 5 september 2016 is de vordering van de officier van justitie bij beschikking van 26 september 2016 afgewezen. Deze beslissing is inmiddels onherroepelijk geworden.

Beoordeling rechtbank 

Artikel 591, tweede en vijfde lid, in verbinding met artikel 591a, tweede en vierde lid Sv voorzien in de mogelijkheid van vergoeding van de kosten van een raadsman voor het indienen van een klaagschrift als bedoeld in art. 552b Sv. Een verzoek tot toekenning van een dergelijke vergoeding kan, gelet op het van overeenkomstige toepassing verklaarde tweede lid van art. 591 Sv, worden ingediend ‘binnen drie maanden na het eindigen van de zaak’. Onder het eindigen van de zaak dient in deze zaak te worden verstaan de beslissing op de vordering van de officier van justitie tot onttrekking aan het verkeer.

Het door verzoekster ondertekende verzoekschrift is daarom tijdig ingediend.

De hiervoor bedoelde regeling ziet op procedures, die worden ingeleid met een door of namens een klager ingediend klaagschrift, waarvoor de grondslag wordt gegeven in artikel 552a of 552b Sv. De vraag in deze zaak is of het mogelijk is om de kosten die de raadsman in het kader van die 552f-procedure heeft gemaakt op de Staat te verhalen. Artikel 552f wordt immers – anders dan artikel 552b Sv – niet genoemd in artikel 591 lid 5 Sv, waarin wel andere artikelen worden genoemd, die van overeenkomstige toepassing zijn.

Verzoekster heeft voor de toepasselijkheid geen argument aangeleverd. In het ‘kruisjesformulier’-verzoekschrift staat daarover slechts vermeld: “De vordering ex art. 552f Sv is afgewezen. Zie 552b Sv.”

In de rechtspraak wordt verschillend geoordeeld over het antwoord op de vraag of de opsomming van artikel 591 lid 5 Sv door de wetgever limitatief is bedoeld. Indien dat het geval is, kan het onderhavig verzoek niet worden toegewezen.

Wetsgeschiedenis

In de loop der jaren is de reikwijdte van art. 591 Sv verschillende malen uitgebreid door kosten gemaakt in het kader van enkele bijzondere procedures voor vergoeding in aanmerking te laten komen.

In 1935 werd het vijfde lid ingevoegd, op basis waarvan de regeling ook van toepassing is op rechtsgedingen tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen.

Na een tweede wetswijziging geldt de kostenvergoedingsregeling sinds 1964 eveneens voor de beklagprocedures tegen inbeslagname (art. 552a) en verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer (art. 552b). Bij de invoering werd in de memorie van toelichting het volgende overwogen:
“Het lijkt redelijk, de bepalingen van dit artikel van overeenkomstige toepassing te doen zijn op zaken, betreffende beklag bij inbeslagneming en verbeurdverklaring, indien het beklag gegrond wordt geacht. Hiertoe is een aanvulling van het laatste lid voorgesteld.” (Kamerstukken TK 1962/1963, 6647, nr. 3, blz. 9.)

Deze toelichting geeft geen aanleiding te veronderstellen dat het de wetgever erom te doen was een limitatieve opsomming te geven.

Sinds inwerkingtreding van de Wet van 19 november 1986 in verband met de herziening van wetgeving rondom de berechting van geestelijk gestoorde delinquenten, is art. 591 Sv ook van overeenkomstige toepassing op de procedures rondom de wijziging van voorwaarden, verlenging en hervatting van terbeschikkingstelling (art. 509j, 509o en 509v).

Ten slotte is de werkingssfeer in 1993 verder uitgebreid door artikel 591 van overeenkomstige toepassing te laten zijn op de procedure van art. 552ab.

Systematiek van de wet

Bij de inhoudelijke behandeling van een strafzaak kan de officier van justitie onttrekking aan het verkeer vorderen van een in beslag genomen voorwerp. Een (advocaat van) verdachte kan daarop reageren en verweer voeren. Indien verdachte wordt vrijgesproken en de vordering tot onttrekking aan het verkeer wordt afgewezen, dan bestaat voor de verdachte in dat geval de mogelijkheid om de kosten van zijn advocaat op de voet van artikel 591a Sv op de Staat te verhalen. Niet valt in te zien waarom dezelfde werkzaamheden niet voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen, indien de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer niet tegelijk met de hoofdzaak, maar later als afzonderlijke vordering indient.

Ook kan het zijn dat niet de officier van justitie op grond van artikel 552f Sv het initiatief neemt tot onttrekking aan het verkeer, maar de (gewezen) verdachte op grond van artikel 552b Sv een verzoek doet tot teruggave van het beslag voorwerp. In zo’n geval kent de wet hem wel de mogelijkheid toe om de kosten van de procedure via artikel 591 lid 5 Sv op de Staat te verhalen. Niet valt in te zien dat het van deze min of meer willekeurige keuze afhangt of de (zelfde) werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen of niet.

Doel van de regeling

Ook de strekking van de regeling van schadevergoeding verzet zich niet tegen vergoeding van de verzochte kosten. Het gaat er in deze tweede titel van boek V Sv immers om dat de kosten die een verdachte maakt om zich te verdedigen voor rekening van de Staat dienen te komen, als een zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr.

Conclusie

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat ook in een geval, waarin de verdachte is vrijgesproken en de officier van justitie een afzonderlijke vordering tot onttrekking aan het verkeer (artikel 552f Sv) heeft ingediend, de kosten van de desbetreffende werkzaamheden van de raadsman van verdachte voor vergoeding in aanmerking komen.

De hoogte van de verzochte vergoeding komt de rechtbank redelijk voor gelet op de onderliggende specificatie. Het verzoek zal dan ook worden toegewezen op de wijze als hieronder is aangegeven.

Beslissing

De rechtbank kent aan verzoekster ten laste van de Staat een vergoeding toe van € 1.209,28 welk bedrag als volgt is samengesteld:

  • € 929,28 wegens de kosten van een raadsman voor zijn werkzaamheden ten behoeve van de strafzaak;
  • € 280,- wegens de kosten van een raadsman voor het opstellen en indienen van het verzoekschrift.

 

Lees hier de volledige uitspraak. 

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF